SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Verorab, poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Rabiësvaccin, geïnactiveerd
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Na reconstitutie met 0,5 ml oplosmiddel bevat 1 injectieflacon:
Rabiësvirus a, WISTAR Rabies PM/WI38 1503-3M stam (geïnactiveerd)................3,25 IEb
a Geproduceerd in Vero-cellen
b Hoeveelheid gemeten volgens de ELISA-test volgens de internationale norm
Hulpstof(en) met bekend effect:
Fenylalanine ................................................................4,1 microgram
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
Verorab kan sporen bevatten van polymyxine B, streptomycine en neomycine die worden gebruikt in het productieproces (zie rubriek 4.3).
3. FARMACEUTISCHE VORM
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie.
Vóór reconstitutie is het poeder uniform wit van kleur.
Het oplosmiddel is een heldere, kleurloze oplossing.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Verorab is geïndiceerd voor pre- en postexpositie profylaxe tegen hondsdolheid in alle leeftijdsgroepen (zie rubrieken 4.2 en 5.1).
Verorab moet worden gebruikt in overeenstemming met officiële aanbevelingen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De aanbevolen dosis is 0,5 ml gereconstitueerd vaccin intramusculair (IM) of 0,1 ml gereconstitueerd vaccin intradermaal (ID) op elke injectieplaats.
Pre-expositie profylaxe
Voor primaire pre-expositie immunisatie kunnen personen worden gevaccineerd volgens een van de vaccinatieschema's in tabel 1 en volgens lokale officiële aanbevelingen, indien beschikbaar:
Tabel 1: Vaccinatieschema's vóór blootstelling
| D0 | D7 | D21 of D28 |
Intramusculaire gebruik (0,5 ml per dosis) | |||
Drie doses-schema | 1 dosis | 1 dosis | 1 dosis |
Een-week-schema a | 1 dosis | 1 dosis |
|
Intradermale gebruik (0,1 ml per dosis) | |||
Een-week-schema a | 2 doses b | 2 doses b |
|
a - Dit schema mag niet worden gebruikt voor immuungecompromitteerde personen (zie de paragraaf “Immunogecompromitteerde personen”)
b - Eén injectie in elke arm (voor volwassenen en kinderen) of in elke anterolaterale dij (zuigelingen en peuters)
Herinentingen worden bepaald op basis van het risico op blootstelling en op serologietesten om de aanwezigheid te detecteren van rabiësvirus neutraliserende antilichamen (≥ 0,5 IE/ml). Een herinenting bestaat uit één dosis van 0,5 ml intramusculair toegediend of één dosis van 0,1 ml intradermaal toegediend in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO.
Verorab kan worden toegediend als herinenting na primaire vaccinatie met een celkweek-rabiësvaccin (een rabiësvaccin dat wordt bereid in Vero-cellen of in menselijke diploïde cellen (HDCV)).
Post-expositie profylaxe
Post-expositie profylaxe moet zo snel mogelijk worden gestart na vermoede blootstelling aan rabiës. In alle gevallen moet de juiste wondverzorging (zorgvuldig wassen van alle beten en schrammen met zeep of reinigingsmiddel en overvloedige hoeveelheden water en/of virucidale middelen) onmiddellijk of zo snel mogelijk na blootstelling worden uitgevoerd. Het moet worden uitgevoerd voorafgaand aan toediening van vaccin of immunoglobulinen tegen rabiës, wanneer deze geïndiceerd zijn.
Tabel 2: Categorisering door de WHO van profylaxe na blootstelling in functie van de ernst van de blootstelling (aan te passen volgens lokale officiële aanbevelingen).
Blootstellingscategorie | Type blootstelling aan een huisdier of wild dier, met vermoeden of bevestigde rabiës of niet beschikbaar voor de test | Aanbevolen profylaxe na blootstelling |
I | Contact of voederen van het dier. | Geen indien een anamnese kan worden afgenomen.(a) |
II | Knabbelen van blote huid. | Onmiddellijk het rabiësvaccin toedienen. |
III | Een of meerdere beten(c) of schrammen door de huid heen, likken op beschadigde huid of | Onmiddellijk het rabiësvaccin toedienen en ook immunoglobulinen tegen rabiës, bij voorkeur zo snel mogelijk na de start van de profylaxe na blootstelling. |
(a) Als het dier een schijnbaar gezonde hond of kat is in of vanuit een laagrisicogebied en onder veterinaire observatie wordt geplaatst, kan de behandeling worden uitgesteld.
(b) Deze observatieperiode is alleen van toepassing op katten en honden. Met uitzondering van bedreigde of bijna bedreigde diersoorten, moeten huisdieren en wilde dieren waarvan wordt vermoed dat ze rabiës hebben, worden geëuthanaseerd en moeten hun weefsels worden getest op aanwezigheid van het rabiësvirus door middel van geschikte laboratoriumtechnieken.
(c) Vooral beten op het hoofd, de nek, het gezicht, de handen en de geslachtsdelen zijn blootstellingen in categorie III vanwege de rijke innervatie van deze zones van het lichaam.
Post-expositie profylaxe van niet-gevaccineerde personen
Niet-gevaccineerde personen kunnen worden gevaccineerd volgens een van de vaccinatieschema’s door middel van intramusculair (IM) of door intradermaal (ID) gebruik, weergegeven in tabel 3.
Tabel 3: Post-expositie profylaxe van niet-gevaccineerde personen
| D0 | D3 | D7 | D14 | D21 | D28 |
Intramusculair gebruik (0,5 ml per dosis) | ||||||
IM Essen-protocol | 1 dosis | 1 dosis | 1 dosis | 1 dosis |
| 1 dosis |
IM Zagreb-protocol | 2 doseringen(a) | - | 1 dosis | - | 1 dosis | - |
Intradermaal gebruik(d) (0,1 ml per dosis) | ||||||
Nieuw ID-schema van het Rode Kruis van Thailand (TRC) | 2 doseringen(b) | 2 doseringen(b) | 2 doseringen(b) | - | - | 2 doseringen(b) |
ID-schema van Instituut Pasteur in Cambodja (IPC) | 2 doseringen(b) | 2 doseringen(b) | 2 doseringen(b) | - | - | - |
4-plaatsen 1-wekelijks ID-schema | 4 doseringen(c) | 4 doseringen(c) | 4 doseringen(c) | - | - | - |
(a) één IM-injectie in het anterolaterale gebied van elke dij (bij zuigelingen en jonge kinderen) of in elke deltaspier (bij oudere kinderen en volwassenen).
(b) te injecteren op 2 afzonderlijke plaatsen, indien mogelijk contralateraal.
(c) te injecteren in 4 afzonderlijke plaatsen.
(d) zie rubriek 5.1.
Ongeacht het gebruikte schema mag de vaccinatie niet worden onderbroken, tenzij het dier vrij is van rabiës.
De immunoglobulinen tegen rabiës dienen gelijktijdig te worden toegediend met het vaccin bij elke blootstelling van categorie III (WHO-classificatie, zie tabel 2). Indien mogelijk moet elke dosis van het vaccin worden toegediend op een plek op het lichaam ver van de toedieningsplaatsen van immunoglobuline.
Post-expositie profylaxe van al gevaccineerde personen
In overeenstemming met officiële aanbevelingen is dit van toepassing op personen die al pre- of post-expositie profylaxe hebben ontvangen of die post-expositie profylaxe hebben beëindigd na het ontvangen van ten minste twee doseringen vaccin uit een celkweek.
Personen die al gevaccineerd zijn, moeten 1 dosis vaccin (0,5 ml intramusculair of 0,1 ml intradermaal) krijgen op D0 en 1 dosis op D3.
Als alternatief kunnen 4 intradermale injecties van 0,1 ml worden toegediend op 4 afzonderlijke plaatsen op D0.
In dit geval zijn immunoglobulinen tegen rabiës niet geïndiceerd.
Immuungecompromitteerde personen
- Pre-expositie profylaxe
Er moet een 3-doses-schema worden gebruikt (vermeld in de paragraaf “Pre-expositie profylaxe”) en serologietesten voor neutraliserende antistoffen moeten worden uitgevoerd 2 tot 4 weken na de laatste dosis om de noodzaak van een mogelijke aanvullende dosis vaccin te beoordelen.
.
- Post-expositie profylaxe
Een volledig post-expositie vaccinatieschema worden toegediend. In combinatie met het vaccin voor de blootstellingscategorieën II of III (zie tabel 2) moeten immunoglobulines tegen rabiës worden toegediend
Pediatrische patiënten
Pediatrische patiënten krijgen dezelfde dosis als volwassenen.
Wijze van toediening
- Intramusculair gebruik (IM)
Het vaccin wordt toegediend in het anterolaterale gebied van de dijspier bij zuigelingen en jonge kinderen en in de deltaspier bij oudere kinderen en volwassenen.
- Intradermaal gebruik (ID)
Het vaccin wordt bij voorkeur in de bovenarm of onderarm toegediend.
Niet in de billen injecteren.
Niet via de intravasculaire toedieningsweg injecteren.
Voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen voordat het geneesmiddel wordt gehanteerd of toegediend
Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.
4.3 Contra-indicaties
Pre-expositie profylaxe
Overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen, voor polymyxine B, voor streptomycine, voor neomycine of voor enig ander antibioticum van dezelfde klasse na eerdere toediening of een ander vaccin met dezelfde bestanddelen.
Vaccinatie moet worden uitgesteld bij koorts of een acute aandoening.
Post-expositie profylaxe
Vanwege het altijd fatale verloop van een verklaarde rabiësinfectie bestaan er geen contra-indicaties voor post-expositievaccinatie.
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
In klinische onderzoeken hebben meer dan 13.000 studiedeelnemers, waaronder ongeveer 1.000 kinderen en jongeren onder de 18 jaar, ten minste één dosis Verorab ontvangen.
Bijwerkingen waren over het algemeen matig in intensiteit en traden op binnen 3 dagen na vaccinatie. De meeste bijwerkingen gingen spontaan weg binnen 1 tot 3 dagen na het ontstaan ervan.
De meest voorkomende bijwerkingen in alle leeftijdsgroepen (behalve bij zuigelingen/kinderen jonger dan 24 maanden) waren hoofdpijn, malaise, myalgie en pijn op de injectieplaats. Reacties op de injectieplaats (pijn, erytheem en zwelling) kwamen vaker voor na een ID-injectie dan een IM-injectie. Pijn was de vaakst voorkomende reactie op de injectieplaats voor beide toedieningswegen.
Tabel van bijwerkingen
De hieronder vermelde bijwerkingen werden gemeld tijdens klinische studies en nadat het product wereldwijd in de handel was gebracht. Voor elk type orgaanklasse zijn de bijwerkingen gerangschikt op basis van hun frequentie en volgens de volgende conventie:
- Zeer vaak (≥1/10);
- Vaak (≥1/100, <1/10);
- Soms (≥1/1.000, <1/100);
- Zelden (≥1/10.000, <1/1.000);
- Zeer zelden (<1/10.000);
- Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Bijwerkingen | Volwassenen
| Pediatrische patiënten |
Frequentie | Frequentie | |
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | ||
Lymfadenopathie | Vaak | Vaak |
Immuunsysteemaandoeningen | ||
Allergische reacties (bijv. uitslag, urticaria, pruritus) | Soms | Soms |
Anafylactische reacties en angio-oedeem | Niet bekend | Niet bekend |
Voedings- en stofwisselingsstoornissen | ||
Verminderde eetlust | Soms | Soms |
Zenuwstelselaandoeningen | ||
Hoofdpijn | Zeer vaak | Zeer vaak |
Duizeligheid/vertigo | Soms | - |
Prikkelbaarheid (bij zuigelingen/jonge kinderen) | - | Zeer vaak |
Slaperigheid (bij zuigelingen/jonge kinderen) | - | Zeer vaak |
Insomnia (bij zuigelingen/jonge kinderen) | - | Vaak |
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | ||
Plots gehoorverlies, dat kan aanhouden | Niet bekend | Niet bekend |
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | ||
Dyspneu | Zelden | - |
Maagdarmstelselaandoeningen | ||
Nausea | Soms | - |
Abdominale pijn | Soms | Soms |
Diarree | Soms | - |
Braken | - | Soms |
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | ||
Myalgie | Zeer vaak | Zeer vaak |
Artralgie | Soms | - |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | ||
Pijn op de injectieplaats (IM-gebruik) | Zeer vaak | Zeer vaak |
Pijn op de injectieplaats (ID-gebruik) | Zeer vaak | Zeer vaak |
Erytheem op de injectieplaats (IM-gebruik) | Vaak | Vaak |
Erytheem op de injectieplaatserytheem (ID-gebruik) | Zeer vaak | Zeer vaak |
Prutitus op de injectieplaats (IM-gebruik) | Vaak | - |
Pruritus op de injectieplaats (ID-gebruik) | Vaak | Soms |
Zwelling op injectieplaats (IM-gebruik) | Vaak | Vaak |
Zwelling op injectieplaats (ID-gebruik) | Vaak | Zeer vaak |
Induratie op de injectieplaats (IM-gebruik) | Vaak | - |
Hematoom op de injectieplaats (ID-gebruik) | Soms |
|
Malaise | Zeer vaak | Zeer vaak |
Griepachtig syndroom | Vaak |
|
Koorts | Vaak | Vaak |
Asthenie | Soms | - |
Koude rillingen | Soms | Soms |
Ontroostbaar huilen (bij zuigelingen/jonge kinderen) | - | Zeer vaak |
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via :
België: Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten: www.fagg.be – Afdeling Vigilantie: Website: www.eenbijwerkingmelden.be – E-mail: adr@fagg-afmps.be
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Sanofi Winthrop Industrie
82 Avenue Raspail
94250 Gentilly
Frankrijk
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
BE661685
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Datum van goedkeuring van de tekst: 09/2025
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 4867487 | VERORAB PDR+SOLV OPL INJ 0,5ML+VOORGEV.SPUIT+NAALD | € 65,3 | - | Ja | € 12,8 | € 8,5 |