1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Tysabri 150 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke ml bevat 150 mg natalizumab.
Natalizumab is een recombinant gehumaniseerd anti‑α4‑integrine-antilichaam dat met behulp van recombinant-DNA-technologie in een muriene cellijn is geproduceerd.
Hulpstof met bekend effect
Elke voorgevulde spuit bevat 0,4 mg polysorbaat 80 in 1 ml oplossing voor injectie (zie rubriek 4.4 voor meer informatie).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie (injectie)
Kleurloze tot lichtgele, bijna doorschijnende tot doorschijnende oplossing, met een pH van 5,8 ‑ 6,4 en een osmolaliteit van 114 – 144 mOsm/kg.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Tysabri is geïndiceerd als enkelvoudige ziektemodificerende therapie bij volwassenen met zeer actieve relapsing-remitting multipele sclerose (RRMS) in de volgende patiëntengroepen:
- Patiënten met zeer actieve ziekte ondanks een volledige en adequate behandeling met ten minste één ziektemodificerende therapie (disease modifying therapy, DMT) (voor uitzonderingen en informatie over wash‑outperioden, zie rubriek 4.4 en 5.1)
of
- Patiënten met zich snel ontwikkelende ernstige RRMS, gedefinieerd door 2 of meer invaliderende relapses in één jaar, en met 1 of meer gadolinium aankleurende laesies op de magnetische kernspinresonantie (MRI) van de hersenen of een significante toename van de lading van T2‑laesies in vergelijking met een eerdere recente MRI.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Therapie dient te worden gestart en continu te worden begeleid door medisch specialisten die ervaren zijn in het diagnosticeren en behandelen van neurologische aandoeningen, met tijdige toegang tot MRI. De patiënten moeten worden gecontroleerd op vroege klachten en symptomen van progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML). Aan patiënten die met dit geneesmiddel worden behandeld moet de waarschuwingskaart voor patiënten worden gegeven en patiënten moeten over de risico's van het geneesmiddel worden geïnformeerd (zie ook de bijsluiter).
In geval van toediening door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg buiten een klinische omgeving, zelftoediening of toediening door een verzorger (zie hieronder) moet de ‘Checklist vóór toediening’ worden verstrekt (zie rubriek 4.4 over informatiemateriaal).
Na 2 jaar behandeling moeten patiënten opnieuw worden geïnformeerd over de risico's, met name over het verhoogde risico van PML, en patiënten moeten samen met hun verzorgers worden geïnstrueerd over de vroege klachten en verschijnselen van PML.
Er moeten middelen beschikbaar zijn voor de behandeling van overgevoeligheidsreacties en de mogelijkheid voor MRI moet beschikbaar zijn. Er zijn beperkte gegevens voor de subcutane formulering bij de voor Tysabri naïeve patiëntenpopulatie (zie rubriek 4.4).
Sommige patiënten kunnen zijn blootgesteld aan immunosuppressieve geneesmiddelen (bijv. mitoxantron, cyclofosfamide, azathioprine). Deze geneesmiddelen kunnen een langdurige immunosuppressie veroorzaken, zelfs nadat de toediening is gestaakt. Daarom moet de arts bevestigen dat dergelijke patiënten niet immunogecompromitteerd zijn voordat met de behandeling wordt gestart (zie rubriek 4.4).
Dosering
De aanbevolen dosis voor subcutane toediening is 300 mg per 4 weken. Aangezien elke voorgevulde spuit 150 mg natalizumab bevat, moeten twee voorgevulde spuiten worden toegediend.
Voortgezette behandeling moet zorgvuldig worden heroverwogen bij patiënten bij wie na 6 maanden geen aanwijzingen voor therapeutisch voordeel is aangetoond.
Gegevens over de veiligheid en werkzaamheid van natalizumab (intraveneuze infusie) na 2 jaar behandeling werden gegenereerd uit gecontroleerd, dubbelblind onderzoek. Na 2 jaar mag een voortgezette therapie alleen worden overwogen na een nieuwe beoordeling van de mogelijke voor- en nadelen. Patiënten moeten opnieuw worden geïnformeerd over de risicofactoren voor PML, zoals de duur van de behandeling, het gebruik van immunosuppressiva voorafgaand aan het ontvangen van het geneesmiddel en de aanwezigheid van anti-John Cunningham virus (JCV)‑antilichamen (zie rubriek 4.4).
Hernieuwde toediening
De werkzaamheid van hernieuwde toediening is niet vastgesteld, voor veiligheid (zie rubriek 4.4).
Elke verandering in de wijze van toediening van het geneesmiddel moet 4 weken na de vorige dosis plaatsvinden.
Speciale populaties
Ouderen
Dit geneesmiddel wordt niet aanbevolen voor gebruik bij patiënten ouder dan 65 jaar vanwege een gebrek aan gegevens in deze populatie.
Nier- en leverfunctiestoornissen
Er is geen onderzoek uitgevoerd naar het effect van nier- en leverfunctiestoornissen.
Het eliminatiemechanisme en de resultaten van de farmacokinetische evaluatie van de populatie suggereren dat bij patiënten met een nier- of leverfunctiestoornis dosisaanpassing niet noodzakelijk is.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van dit geneesmiddel bij kinderen en adolescenten tot 18 jaar zijn niet vastgesteld. De momenteel beschikbare gegevens worden beschreven in rubriek 4.8 en 5.1.
Wijze van toediening
Tysabri 150 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit is uitsluitend bestemd voor subcutane (s.c.) injectie. Het is niet bedoeld voor intraveneuze (i.v.) infusie.
Twee voorgevulde spuiten moeten direct na elkaar worden toegediend (totale dosis 300 mg). De tweede injectie moet uiterlijk 30 minuten na de eerste injectie worden toegediend.
De plaatsen voor subcutane injectie zijn het dijbeen, de buik (ten minste 6 cm afstand tot de navel) of de achterzijde van de bovenarm (deze laatste locatie uitsluitend indien de injectie wordt toegediend door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg of een verzorger). De injectie mag niet worden toegediend in een deel van het lichaam waar de huid geïrriteerd, rood, gekneusd, geïnfecteerd is of op enigerlei wijze littekens vertoont. Bij het terugtrekken van de spuit uit de injectieplaats moet de zuiger worden losgelaten terwijl de naald er recht uit wordt getrokken. Door de zuiger los te laten kan de naaldbeschermer de naald bedekken. De tweede injectie moet meer dan 3 cm verwijderd zijn van de eerste injectieplaats (zie de toedieningsinstructies aan het einde van de bijsluiter).
Natalizumab naïeve patiënten moeten tijdens de injectie en gedurende 1 uur daarna worden geobserveerd op klachten en symptomen van reacties op de injectie, waaronder overgevoeligheid, bij de eerste zes doses van natalizumab. Voor patiënten die met natalizumab behandeld worden en die al ten minste zes doses hebben gekregen, ongeacht de wijze van toediening die gebruikt is voor de eerste zes doses natalizumab, kan de observatietijd van 1 uur na de injectie voor daaropvolgende subcutane injecties naar klinisch oordeel worden verkort of geschrapt als de patiënten geen injectiereacties/infusiereacties hebben ondervonden.
Toediening buiten de klinische omgeving
Door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg buiten een klinische omgeving (bijvoorbeeld thuis) toegediende injecties met natalizumab kunnen worden overwogen voor patiënten die eerder ten minste zes doses natalizumab goed hebben verdragen, d.w.z. zonder overgevoeligheidsreacties. De beslissing om een patiënt injecties te laten krijgen buiten een klinische omgeving moet worden genomen na beoordeling en aanbeveling van de medisch specialist. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg dienen alert te zijn op de vroege klachten en symptomen van PML (zie rubriek 4.4 voor nadere informatie over PML en informatiemateriaal).
Zelftoediening of toediening door een verzorger
Zelftoediening door de patiënt of toediening door een verzorger kan worden overwogen voor patiënten die eerder ten minste zes doses natalizumab goed hebben verdragen, d.w.z. zonder overgevoeligheidsreacties. De beslissing moet worden genomen na beoordeling en aanbeveling van de medisch specialist.
Patiënten of verzorgers moeten ten minste twee doses (elk bestaande uit twee injecties) toedienen via de subcutane toedieningsweg onder begeleiding van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg. Zij moeten worden geïnstrueerd om vóór iedere dosis de patiëntenwaarschuwingskaart te lezen en de ‘Checklist vóór toediening’ door te nemen. Patiënten of verzorgers moet worden geadviseerd alert te blijven op de vroege tekenen en symptomen van PML (zie rubriek 4.4 voor nadere informatie over PML en informatiemateriaal) en om, indien zich een overgevoeligheidsreactie voordoet, te stoppen met de toediening en onmiddellijk medische hulp in te roepen.
Na een behandelingspauze van 3 maanden of langer moeten de zes volgende doses worden toegediend onder toezicht van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg, vanwege de mogelijkheid van een overgevoeligheidsreactie.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML).
Patiënten met een verhoogd risico op een opportunistische infectie, inclusief immunogecompromitteerde patiënten (inclusief diegenen die momenteel immunosuppressieve therapie ontvangen of die door eerdere therapieën immunogecompromitteerd zijn geraakt) (zie rubriek 4.4 en 4.8).
Combinatie met andere DMT's.
Bekende actieve maligniteiten, behalve bij patiënten met cutaan basaalcelcarcinoom.
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
Het waargenomen veiligheidsprofiel voor subcutaan toegediende natalizumab kwam overeen met het bekende veiligheidsprofiel van intraveneus toegediende natalizumab, met uitzondering van pijn op de injectieplaats. De totale frequentie van pijn op de injectieplaats was vaak met 4% (3/71) voor proefpersonen die natalizumab 300 mg om de 4 weken subcutaan kregen toegediend.
In placebogecontroleerd onderzoek bij 1.617 MS-patiënten die gedurende maximaal 2 jaar met natalizumab (intraveneuze infusie) werden behandeld (placebo: 1.135) traden bij 5,8% van de patiënten die met natalizumab werden behandeld, bijwerkingen op die tot het staken van de behandeling leidden (placebo: 4,8%). Tijdens de 2 jaar die de onderzoeken hebben geduurd, werden bijwerkingen gemeld door 43,5% van de patiënten die met natalizumab werden behandeld (placebo: 39,6%).
Uit klinische onderzoeken bij 6.786 patiënten die zijn behandeld met natalizumab (intraveneuze infusie), waren de meest voorkomende bijwerkingen hoofdpijn (32%), nasofaryngitis (27%), vermoeidheid (23%), urineweginfectie (16%), nausea (15%), artralgie (14%) en duizeligheid (11%) gerelateerd aan de toediening van natalizumab.
Lijst met bijwerkingen in tabelvorm
Bijwerkingen voortkomend uit klinische onderzoeken, veiligheidsonderzoeken na vergunningverlening en spontane meldingen worden in Tabel 1 hieronder gepresenteerd. Volgens de systeem/orgaanklassen zijn ze in de volgende rubrieken ingedeeld: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10), soms (≥ 1/1.000, < 1/100), zelden (1/10.000, <1/1.000), zeer zelden (<1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Binnen iedere frequentiegroep zijn bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.
Tabel 1. Bijwerkingen
MedDRA- systeem/orgaanklasse | Frequentie van bijwerkingen | ||||
Zeer vaak | Vaak | Soms | Zelden | Onbekend | |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Nasofaryngitis | Herpesinfectie | Progressieve multifocale leuko-encefalopathie | Herpes oftalmisch | Herpes-meningo-encefalitis |
Bloed- en lymfestelselaandoeningen |
| Anemie | Trombocytopenie | Hemolytische anemie |
|
Immuunsysteemaandoeningen |
| Overgevoeligheid | Anafylactische reactie |
|
|
Zenuwstelselaandoeningen | Duizeligheid |
|
|
|
|
Bloedvataandoeningen |
| Overmatig blozen |
|
|
|
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen |
| Dyspneu |
|
|
|
Maagdarmstelselaandoeningen | Nausea | Braken |
|
|
|
Lever- en galaandoeningen |
|
|
| Hyperbilirubinemie | Leverletsel |
Huid- en onderhuidaandoeningen |
| Pruritus Uitslag |
| Angio-oedeem |
|
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | Artralgie |
|
|
|
|
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Vermoeidheid | Pyrexie | Gezichtsoedeem |
|
|
Onderzoeken |
| Leverenzym verhoogd |
|
|
|
Letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties | Infusiegerelateerde reactie |
|
|
|
|
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Overgevoeligheidsreacties
Overgevoeligheidsreacties traden meestal op binnen een uur na toediening van de subcutane injecties. Het aantal onderzochte patiënten in de DELIVER- en REFINE-onderzoeken was laag (zie rubriek 5.1).
In 2 jaar durend gecontroleerd klinisch onderzoek bij MS-patiënten die intraveneus natalizumab kregen, traden bij maximaal 4% van de patiënten overgevoeligheidsreacties op. Anafylactische/anafylactoïde reacties traden op bij minder dan 1% van de patiënten die dit geneesmiddel ontvingen. Overgevoeligheidsreacties traden gewoonlijk op tijdens de infusie of maximaal binnen 1 uur na voltooiing van de infusie (zie rubriek 4.4). Bij postmarketingervaringen zijn meldingen gedaan van overgevoeligheidsreacties waarbij zich een of meer van de volgende gerelateerde symptomen voordeden: hypotensie, hypertensie, pijn op de borst, last van de borst, dyspneu, angio-oedeem, naast meer gebruikelijke symptomen als huiduitslag en urticaria.
Immunogeniciteit
In 2 jaar durende gecontroleerde klinische onderzoeken bij MS-patiënten die intraveneus natalizumab kregen, werden bij 10% van de patiënten antilichamen tegen natalizumab ontdekt. Bij ongeveer 6% van de patiënten ontwikkelden zich persisterende anti-natalizumab-antilichamen (een positieve test die bij opnieuw testen minimaal 6 weken later reproduceerbaar was). Bij nog eens 4% van de patiënten werden slechts eenmalig antilichamen gedetecteerd. Persisterende antilichamen werden in verband gebracht met een aanzienlijke daling in de effectiviteit van natalizumab en een verhoogde incidentie van overgevoeligheidsreacties. Andere infusiegerelateerde bijwerkingen die in verband werden gebracht met persisterende antilichamen zijn onder meer rigors, misselijkheid, braken en roodheid in het gezicht (zie rubriek 4.4). In het 32 weken durende DELIVER-onderzoek bij MS-patiënten die niet eerder waren blootgesteld aan natalizumab, ontwikkelden zich aanhoudende anti-natalizumab-antilichamen bij 1 proefpersoon (4%) van 26 proefpersonen die natalizumab subcutaan kregen toegediend. Antilichamen werden slechts één keer gedetecteerd bij 5 andere proefpersonen (19%). In het 60-weken durende REFINE-onderzoek bij MS-patiënten was bij geen van de proefpersonen (136 proefpersonen) die tijdens het onderzoek overstapten van intraveneuze toediening van natalizumab naar subcutane toediening, sprake van detecteerbare ADA (zie rubriek 5.1).
Als de aanwezigheid van persisterende antilichamen, na ongeveer 6 maanden behandeling, wordt vermoed, op basis van de verminderde werkzaamheid of op basis van het optreden van infusiegerelateerde bijwerkingen, kunnen deze 6 weken na de eerste positieve test met een volgende test worden gedetecteerd en bevestigd. Daar bij een patiënt met persisterende antilichamen de werkzaamheid kan afnemen of de incidentie van overgevoeligheid of infusiegerelateerde bijwerkingen kan toenemen, moet de behandeling worden gestaakt bij patiënten die persisterende antilichamen ontwikkelen.
Infecties, inclusief PML en opportunistische infecties
In 2 jaar durend gecontroleerd klinisch onderzoek bij MS-patiënten was het infectiepercentage ongeveer 1,5 per patiëntjaar bij zowel de patiënten die met natalizumab (intraveneus) werden behandeld als bij de patiënten die placebo ontvingen. De aard van de infecties was bij patiënten die met natalizumab werden behandeld en bij patiënten die met placebo werden behandeld, meestal gelijk. Bij klinisch onderzoek naar MS werd één geval van cryptosporidium-diarree gemeld. In andere klinische onderzoeken zijn gevallen van andere opportunistische infecties gemeld, waarvan sommige fataal waren. De meerderheid van de patiënten heeft tijdens infecties de behandeling met natalizumab niet onderbroken en met geschikte behandeling vond herstel plaats.
Tijdens klinische onderzoeken werden herpesinfecties (varicellazostervirus, herpessimplexvirus) iets vaker waargenomen bij patiënten die met natalizumab werden behandeld dan bij patiënten die een placebo kregen. Bij de postmarketingervaringen zijn ernstige, levensbedreigende en soms fatale gevallen van encefalitis en meningitis veroorzaakt door herpessimplex- of varicellazostervirussen gemeld bij patiënten met multipele sclerose die natalizumab kregen. De duur van de behandeling met natalizumab vóór de aanvang liep uiteen van een paar maanden tot verscheidene jaren (zie rubriek 4.4).
Bij postmarketingervaringen zijn zeldzame gevallen van acute retinale necrose (ARN) waargenomen bij patiënten die dit geneesmiddel kregen toegediend. Er hebben zich enkele gevallen voorgedaan bij patiënten met herpesinfecties in het centrale zenuwstelsel (zoals herpesmeningitis en ‑encefalitis). Ernstige gevallen van ARN in één of beide ogen hebben bij sommige patiënten geleid tot blindheid. De behandeling bestond in deze gevallen uit antivirale therapie en, in enkele gevallen, een chirurgische ingreep (zie rubriek 4.4).
In klinisch onderzoek, postmarketing observationeel onderzoek en postmarketing passief toezicht is PML gemeld. PML leidt doorgaans tot ernstige invaliditeit of overlijden (zie rubriek 4.4). Er zijn ook gevallen van JCV-GCN gemeld tijdens postmarketing-gebruik van dit geneesmiddel. De symptomen van JCV-GCN lijken op die van PML.
Hepatische reacties
Spontane gevallen van ernstige leverbeschadigingen, verhoogde leverfunctiewaarden en hyperbilirubinemie werden gemeld tijdens de postmarketingfase (zie rubriek 4.4).
Anemie en hemolytische anemie
Zeldzame, ernstige gevallen van anemie en hemolytische anemie zijn gemeld bij patiënten die werden behandeld met natalizumab in postmarketing observationele onderzoeken.
Effecten op laboratoriumonderzoek
In 2 jaar durende gecontroleerde klinische onderzoeken bij MS-patiënten werd behandeling met natalizumab in verband gebracht met een stijging van het aantal circulerende lymfocyten, monocyten, eosinofielen, basofielen en kernhoudende rode bloedcellen. Er werd geen toename in neutrofielen waargenomen. Stijgingen vanaf de uitgangssituatie voor lymfocyten, monocyten, eosinofielen en basofielen varieerden voor individuele celtypes van 35% tot 140%, maar de gemiddelde celtellingen bleven binnen de normaalwaarden bij intraveneuze toediening. Tijdens de behandeling met dit geneesmiddel werden kleine dalingen in de waarden voor hemoglobine (gemiddelde daling 0,6 g/dl), hematocriet (gemiddelde daling 2%) en rode bloedcellen (gemiddelde daling 0,1 x 106/l) waargenomen. Alle veranderingen in hematologische variabelen waren reversibel en normaliseerden gewoonlijk binnen 16 weken na de laatste dosis van het geneesmiddel en de veranderingen waren niet gerelateerd aan klinische symptomen. Postmarketing zijn er meldingen gedaan van eosinofilie (eosinofielentelling > 1.500/mm3) zonder klinische symptomen. Als in dergelijke gevallen de therapie werd gestaakt, normaliseerden de verhoogde eosinofielenwaarden zich weer.
Trombocytopenie
Bij de postmarketingervaringen zijn trombocytopenie en immuuntrombocytopenische purpura (ITP) gemeld, met de frequentie ‘soms’.
Pediatrische patiënten
Ernstige bijwerkingen werden in een meta‑analyse geëvalueerd bij 621 pediatrische MS‑patiënten (zie ook rubriek 5.1). Binnen de beperkingen van deze gegevens werden er bij deze patiëntenpopulatie geen nieuwe veiligheidssignalen geïdentificeerd. In de meta‑analyse werd één geval van herpesmeningitis gerapporteerd. In de meta‑analyse werden geen gevallen van PML geïdentificeerd, maar PML is gerapporteerd bij met natalizumab behandelde pediatrische patiënten in de postmarketingervaring.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via:
België
Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
www.fagg.be
Afdeling Vigilantie:
Website: www.eenbijwerkingmelden.be
e-mail: adr@fagg-afmps.be
Nederland
Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb
Website: www.lareb.nl
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Biogen Netherlands B.V.
Prins Mauritslaan 13
1171 LP Badhoevedorp
Nederland
8. NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/06/346/002
EU/1/06/346/003
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
01/2026
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau https://www.ema.europa.eu.
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 4389680 | TYSABRI 150MG OPL INJ VOORGEVULDE SPUIT 2X1ML | L04AA23 | € 1273,39 | - | Ja | € 12,8 | € 8,5 |