1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Xarelto 1 mg/ml granulaat voor orale suspensie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Het granulaat bevat 19,7 mg rivaroxaban per gram.
Elke fles bevat 51,7 mg rivaroxaban of 103,4 mg rivaroxaban.
Na reconstitutie bevat de suspensie voor oraal gebruik 1 mg rivaroxaban per ml.
Hulpstof met bekend effect
Elke ml van de gereconstitueerde suspensie voor oraal gebruik bevat 1,8 mg natriumbenzoaat (E 211), zie rubriek 4.4.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Granulaat voor orale suspensie
Wit granulaat
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Behandeling van veneuze trombo‑embolie (VTE) en preventie van recidief VTE bij voldragen neonaten, zuigelingen en peuters, kinderen en adolescenten jonger dan 18 jaar, na een initiële parenterale antistollingsbehandeling gedurende ten minste 5 dagen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De dosis en frequentie van toediening worden bepaald op basis van het lichaamsgewicht (zie Tabel 1).
Tabel 1: Aanbevolen dosis voor Xarelto bij pediatrische patiënten, van voldragen neonaten (na orale voeding gedurende ten minste 10 dagen en met een gewicht van ten minste 2,6 kg) tot kinderen jonger dan 18 jaar
Lichaamsgewicht [kg] | Dosisregime | Totale dagelijkse dosis | Geschikte blauwe spuit | |||
| (1 mg rivaroxaban komt overeen met 1 ml suspensie) |
| ||||
Min. | Max. | eenmaal daags | 2 maal daags | 3 maal daags |
|
|
2,6 | < 3 |
|
| 0,8 mg | 2,4 mg | 1 ml |
3 | < 4 |
|
| 0,9 mg | 2,7 mg | 1 ml |
4 | < 5 |
|
| 1,4 mg | 4,2 mg | 5 ml |
5 | < 7 |
|
| 1,6 mg | 4,8 mg | 5 ml |
7 | < 8 |
|
| 1,8 mg | 5,4 mg | 5 ml |
8 | < 9 |
|
| 2,4 mg | 7,2 mg | 5 ml |
9 | < 10 |
|
| 2,8 mg | 8,4 mg | 5 ml |
10 | < 12 |
|
| 3,0 mg | 9,0 mg | 5 ml |
12 | < 30 |
| 5 mg |
| 10 mg | 5 ml of 10 ml |
30 | < 50 | 15 mg |
|
| 15 mg | 10 ml |
≥ 50 |
| 20 mg |
|
| 20 mg | 10 ml |
Het gewicht van het kind moet worden gecontroleerd en de dosis moet regelmatig worden geëvalueerd, in het bijzonder voor kinderen met een gewicht van minder dan 12 kg, om ervoor te zorgen dat een therapeutische dosis gehandhaafd blijft. Dosisaanpassingen mogen alleen worden gedaan op basis van veranderingen in lichaamsgewicht.
Frequentie van dosering:
- Voor een eenmaaldaags regime
De doses moeten worden ingenomen met een tussenpoos van ongeveer 24 uur.
- Voor een tweemaaldaags regime
De doses moeten worden ingenomen met een tussenpoos van ongeveer 12 uur.
- Voor een driemaaldaags regime
De doses moeten worden ingenomen met een tussenpoos van ongeveer 8 uur.
Voor patiënten met een lichaamsgewicht van ten minste 2,6 kg tot minder dan 30 kg mag uitsluitend de suspensie voor oraal gebruik worden gebruikt. Het breken van Xarelto-tabletten of het gebruik van lagere sterkte Xarelto-tabletten om te proberen doses te verstrekken voor kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 30 kg is niet gewenst.
Voor patiënten met een lichaamsgewicht van ten minste 30 kg kan Xarelto-suspensie voor oraal gebruik of kunnen Xarelto‑tabletten van 15 mg of 20 mg eenmaal daags worden toegediend.
Xarelto-suspensie voor oraal gebruik wordt geleverd met blauwe doseerspuiten voor orale toediening: spuiten van 1 ml óf spuiten van 5 ml en 10 ml, plus bijbehorende adapter. Om te zorgen voor een nauwkeurige dosering wordt aanbevolen om de blauwe doseerspuiten voor orale toediening als volgt te gebruiken (zie Tabel 1):
- De blauwe doseerspuit van 1 ml (met maatverdelingen van 0,1 ml) voor patiënten met een gewicht van minder dan 4 kg
- De blauwe doseerspuit van 5 ml (met maatverdelingen van 0,2 ml) voor patiënten met een gewicht van 4 kg tot minder dan 30 kg
- De blauwe doseerspuit van 10 ml (met maatverdelingen van 0,5 ml) voor patiënten met een gewicht van 12 kg of meer
Voor patiënten met een gewicht van 12 kg tot minder dan 30 kg kan zowel de blauwe doseerspuit van 5 ml als van 10 ml worden gebruikt.
Het wordt aanbevolen dat de zorgverlener de patiënt of verzorger adviseert welke blauwe spuit te gebruiken om er zeker van te zijn dat het juiste volume wordt toegediend.
Het boekje met Instructies voor gebruik wordt met dit geneesmiddel meegeleverd.
Aanvang van de behandeling
- Pediatrische patiënten, van voldragen neonaten tot jonger dan 6 maanden
Een behandeling van pediatrische patiënten, van voldragen neonaten tot jonger dan 6 maanden, die na een zwangerschapsduur van ten minste 37 weken geboren zijn, minimaal 2,6 kg wegen en ten minste 10 dagen orale voeding hebben gekregen, moet worden ingesteld na een initiële parenterale antistollingsbehandeling gedurende ten minste 5 dagen (zie rubriek 4.4 en 5.1). Xarelto wordt toegediend op basis van het lichaamsgewicht in de formulering van de suspensie voor oraal gebruik (zie Tabel 1).
- Pediatrische patiënten van 6 maanden tot jonger dan 18 jaar
Een behandeling van pediatrische patiënten van 6 maanden tot jonger dan 18 jaar moet worden ingesteld na een initiële parenterale antistollingsbehandeling gedurende ten minste 5 dagen (zie rubriek 5.1). Xarelto wordt toegediend op basis van het lichaamsgewicht (zie Tabel 1).
Duur van behandeling
- Alle kinderen, behalve kinderen jonger dan 2 jaar met kathetergerelateerde trombose
Een behandeling moet worden voortgezet gedurende ten minste 3 maanden. Indien klinisch noodzakelijk kan de behandeling tot 12 maanden worden verlengd. Er zijn geen gegevens over kinderen beschikbaar die een dosisverlaging na een behandeling van 6 maanden ondersteunen. De voordelen en risico’s van een voortgezette therapie na 3 maanden moeten op individuele basis worden beoordeeld, waarbij rekening moet worden gehouden met het risico op recidieftrombose tegenover het potentiële bloedingsrisico.
- Kinderen jonger dan 2 jaar met kathetergerelateerde trombose
Een behandeling moet worden voortgezet gedurende ten minste 1 maand. Indien klinisch noodzakelijk kan de behandeling tot 3 maanden worden verlengd. De voordelen en risico’s van een voortgezette therapie na 1 maand moeten op individuele basis worden beoordeeld, waarbij rekening moet worden gehouden met het risico op recidieftrombose tegenover het potentiële bloedingsrisico.
Overslagen doses
- Eenmaaldaags regime
Bij inname eenmaal daags moet een overgeslagen dosis zo snel mogelijk worden ingenomen nadat dit werd opgemerkt, maar dan uitsluitend op dezelfde dag. Als dit niet mogelijk is, moet de patiënt de dosis overslaan en doorgaan met de volgende dosis, zoals voorgeschreven. De patiënt mag niet twee doses innemen om een overgeslagen dosis in te halen.
- Tweemaaldaags regime
Bij inname tweemaal daags moet een overgeslagen ochtenddosis zo snel mogelijk worden ingenomen nadat dit werd opgemerkt en mag die samen met de avonddosis worden ingenomen. Een overgeslagen avonddosis mag uitsluitend dezelfde avond worden ingenomen; de patiënt mag de volgende ochtend niet twee doses innemen.
- Driemaaldaags regime
Bij inname driemaal daags moet het driemaaldaagse toedieningsschema met tussenpozen van ongeveer 8 uur gewoon worden hervat bij de volgende geplande dosis zonder de overgeslagen dosis in te halen.
De volgende dag moet het kind het gebruikelijke eenmaal-, tweemaal- of driemaaldaagse regime voortzetten.
Overschakelen van parenterale antistollingsmiddelen naar Xarelto
Voor patiënten die op dat moment een parenteraal antistollingsmiddel krijgen, moet met Xarelto worden gestart 0 tot 2 uur vóór het tijdstip waarop de volgende geplande toediening van het parenterale geneesmiddel (bijv. LMWH) zou worden gegeven, of op het moment dat een continu toegediend parenteraal geneesmiddel (bijv. intraveneuze, niet‑gefractioneerde heparine) wordt stopgezet.
Overschakelen van Xarelto naar parenterale antistollingsmiddelen
Staak de behandeling met Xarelto en geef de eerste dosis parenteraal antistollingsmiddel op het moment dat de volgende dosis Xarelto zou moeten worden ingenomen.
Overschakelen van vitamine K-antagonisten (VKA’s) naar Xarelto
De VKA‑behandeling dient te worden stopgezet en behandeling met Xarelto dient te worden gestart zodra de International Normalized Ratio (INR) ≤ 2,5 is.
Wanneer patiënten overschakelen van VKA's naar Xarelto, treedt na de inname van Xarelto een foutieve verhoging van de INR-waarden op. De INR is geen geldige maat voor de antistollingswerking van Xarelto en mag daarom niet worden gebruikt (zie rubriek 4.5).
Overschakelen van Xarelto naar vitamine K‑antagonisten (VKA’s)
Er bestaat een kans op inadequate antistolling tijdens het overschakelen van Xarelto naar een VKA. Continue adequate antistolling dient verzekerd te zijn gedurende elke overschakeling op een ander antistollingsmiddel. Denk eraan dat Xarelto kan bijdragen aan een verhoogde INR-waarde.
Kinderen die overschakelen van Xarelto naar VKA, moeten Xarelto voortzetten gedurende 48 uur na de eerste dosis VKA. Na 2 dagen van gelijktijdige toediening moet vóór de volgende geplande dosis Xarelto een INR worden bepaald. Het wordt aanbevolen om gelijktijdige toediening van Xarelto en VKA voort te zetten totdat de INR ≥ 2,0 is. Nadat Xarelto is stopgezet, kan 24 uur na de laatste dosis de INR op betrouwbare wijze worden bepaald (zie hierboven en rubriek 4.5).
Speciale populaties
Nierinsufficiëntie
- Kinderen van 1 jaar of ouder met lichte nierinsufficiëntie (glomerulaire filtratiesnelheid 50 ‑ 80 ml/min/1,73 m2): de dosering hoeft niet te worden aangepast, op basis van gegevens over volwassenen en beperkte gegevens over pediatrische patiënten (zie rubriek 5.2).
- Kinderen van 1 jaar of ouder met matige of ernstige nierinsufficiëntie (glomerulaire filtratiesnelheid < 50 ml/min/1,73 m2): Xarelto wordt niet aanbevolen, omdat er geen klinische gegevens beschikbaar zijn (zie rubriek 4.4).
- Kinderen jonger dan 1 jaar: de nierfunctie mag uitsluitend met serumcreatinine worden bepaald. Xarelto wordt niet aanbevolen bij kinderen jonger dan 1 jaar met serumcreatinineresultaten boven het 97,5e percentiel (zie Tabel 2), omdat er geen gegevens beschikbaar zijn (zie rubriek 4.4).
Tabel 2: Referentiewaarden van serumcreatinine bij kinderen jonger dan 1 jaar (Boer et al., 2010)
Leeftijd | 97,5e percentiel van creatinine (µmol/l) | 97,5e percentiel van creatinine (mg/dl) |
Dag 1 | 81 | 0,92 |
Dag 2 | 69 | 0,78 |
Dag 3 | 62 | 0,70 |
Dag 4 | 58 | 0,66 |
Dag 5 | 55 | 0,62 |
Dag 6 | 53 | 0,60 |
Dag 7 | 51 | 0,58 |
Week 2 | 46 | 0,52 |
Week 3 | 41 | 0,46 |
Week 4 | 37 | 0,42 |
Maand 2 | 33 | 0,37 |
Maand 3 | 30 | 0,34 |
Maand 4–6 | 30 | 0,34 |
Maand 7–9 | 30 | 0,34 |
Maand 10–12 | 32 | 0,36 |
Leverinsufficiëntie
Er zijn geen klinische gegevens beschikbaar over kinderen met leverinsufficiëntie.
Xarelto is gecontra-indiceerd bij patiënten met een leveraandoening die gepaard gaat met coagulopathie en een klinisch relevant bloedingsrisico, waaronder cirrotische patiënten met Child-Pugh B en C (zie rubriek 4.3 en 5.2).
Lichaamsgewicht
Voor kinderen wordt de dosis bepaald op basis van het lichaamsgewicht (zie Dosering hierboven).
Geslacht
Geen dosisaanpassing (zie rubriek 5.2)
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van Xarelto bij kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar zijn niet vastgesteld bij andere indicaties dan behandeling van veneuze trombo‑embolie (VTE) en preventie van recidief VTE. Er zijn geen of onvoldoende gegevens beschikbaar voor andere indicaties (zie ook rubriek 5.1). Daarom wordt Xarelto niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen jonger dan 18 jaar bij andere indicaties dan de behandeling van VTE en preventie van recidief VTE.
Wijze van toediening
Xarelto is voor oraal gebruik.
De suspensie voor oraal gebruik dient bij de voeding of met voedsel te worden ingenomen (zie rubriek 5.2).
Voor bijzonderheden over bereiding en toediening van de suspensie voor oraal gebruik, zie rubriek 6.6.
De suspensie voor oraal gebruik mag via een neus‑maagsonde of maagsonde worden toegediend (zie rubriek 5.2 en 6.6).
Elke dosis moet onmiddellijk worden gevolgd door de inname van één gebruikelijke portie vloeistof. Deze gebruikelijke portie kan het vloeistofvolume zijn dat wordt gebruikt voor de voeding.
Ingeval de patiënt de dosis onmiddellijk uitspuugt of binnen 30 minuten na innemen van de dosis moet braken, moet een nieuwe dosis worden gegeven. Als de patiënt echter meer dan 30 minuten na de dosis moet braken, mag de dosis niet opnieuw worden toegediend en moet de volgende dosis zoals gepland worden ingenomen.
Als de suspensie voor oraal gebruik niet onmiddellijk beschikbaar is en er zijn doses van 15 mg of 20 mg rivaroxaban voorgeschreven, dan kunnen deze worden gegeven door de tablet van 15 mg of 20 mg vlak vóór gebruik te vermalen en te mengen met water of appelmoes, en oraal toe te dienen (zie rubriek 5.2 en 6.6).
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Actieve klinisch significante bloeding.
Letsel of een aandoening, die beschouwd wordt als een significant risico op een ernstige bloeding. Hierbij kan het gaan om huidige of recente zweervorming in het maag-darmkanaal, aanwezigheid van maligne neoplasmata met een hoog bloedingsrisico, recent hersen- of spinaalletsel, recente hersenoperatie of een spinale of oftalmologische operatie, recente intracraniale bloeding, bekende of vermoede slokdarmvarices, arterioveneuze malformaties, vasculaire aneurysmata of ernstige intraspinale of intracerebrale vaatafwijkingen.
Gelijktijdige behandeling met andere antistollingsmiddelen, zoals niet-gefractioneerde heparine (UFH), laagmoleculairgewichtheparines (enoxaparine, dalteparine, enz.), heparinederivaten (fondaparinux, enz.), orale antistollingsmiddelen (warfarine, dabigatran etexilaat, apixaban, enz.) wordt niet aanbevolen tenzij in het specifieke geval dat er van antistollingsmiddel wordt gewisseld (zie rubriek 4.2) of als UFH wordt gegeven in een dosering die nodig is om een centraal veneuze of arteriële katheter open te houden (zie rubriek 4.5).
Leveraandoening gepaard gaande met coagulopathie en een klinisch relevant bloedingsrisico, waaronder cirrotische patiënten met Child-Pugh B en C (zie rubriek 5.2).
Zwangerschap en borstvoeding (zie rubriek 4.6).
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De veiligheid van rivaroxaban is beoordeeld in dertien fase III-hoofdonderzoeken (zie Tabel 3).
In totaal werden 69.608 volwassen patiënten in negentien fase III‑onderzoeken en 488 pediatrische patiënten in twee fase II‑onderzoeken en twee fase III‑onderzoeken blootgesteld aan rivaroxaban.
Tabel 3: Aantal onderzochte patiënten, totale dagelijkse dosis en maximale behandelingsduur in fase III‑onderzoeken bij volwassenen en kinderen
Indicatie | Aantal patiënten* | Totale dagelijkse dosis | Maximale behandelingsduur |
Preventie van veneuze trombo-embolie (VTE) bij volwassen patiënten die een electieve heup- of knievervangende operatie ondergingen. | 6.097 | 10 mg | 39 dagen |
Preventie van VTE bij medisch zieke patiënten | 3.997 | 10 mg | 39 dagen |
Behandeling van DVT, PE en preventie van recidieven | 6.790 | Dag 1 ‑ 21: 30 mg | 21 maanden |
Behandeling van VTE en preventie van recidief VTE bij voldragen neonaten en kinderen jonger dan 18 jaar na aanvang van een standaard antistollingsbehandeling | 329 | Dosis aangepast aan het lichaamsgewicht om een blootstelling te bereiken die vergelijkbaar is met de blootstelling waargenomen bij volwassenen die voor DVT werden behandeld met 20 mg rivaroxaban eenmaal daags | 12 maanden |
Preventie van CVA en systemische embolie bij patiënten met non-valvulair atriumfibrilleren | 7.750 | 20 mg | 41 maanden |
Preventie van atherotrombotische complicaties bij patiënten na een acuut coronair syndroom (ACS) | 10.225 | Respectievelijk 5 mg of 10 mg samen met óf acetylsalicylzuur (ASA) óf ASA plus clopidogrel of ticlopidine | 31 maanden |
Preventie van atherotrombotische complicaties bij patiënten met CHZ/PAV | 18.244 | 5 mg samen met ASA, of 10 mg alleen | 47 maanden |
3.256** | 5 mg samen met ASA | 42 maanden |
*Patiënten blootgesteld aan ten minste één dosis rivaroxaban
**Afkomstig van het VOYAGER PAD‑onderzoek
De vaakst gemelde bijwerkingen bij patiënten die rivaroxaban kregen, waren bloedingen (Tabel 4; zie ook rubriek 4.4 en ‘Beschrijving van bepaalde bijwerkingen’ hieronder). De vaakst gemelde bloedingen waren epistaxis (4,5%) en hemorragie van het maag-darmkanaal (3,8%).
Tabel 4: Frequentie van voorvallen van bloedingen* en anemie bij patiënten die aan rivaroxaban werden blootgesteld in alle voltooide fase III‑onderzoeken bij volwassenen en kinderen
Indicatie | Om het even welke bloeding | Anemie |
Preventie van VTE bij volwassen patiënten die een electieve heup‑ of knievervangende operatie ondergingen | 6,8% van de patiënten | 5,9% van de patiënten |
Preventie van VTE bij medisch zieke patiënten | 12,6% van de patiënten | 2,1% van de patiënten |
Behandeling van DVT, PE en preventie van recidieven | 23% van de patiënten | 1,6% van de patiënten |
Behandeling van VTE en preventie van recidief VTE bij voldragen neonaten en kinderen jonger dan 18 jaar na aanvang van een standaard antistollingsbehandeling | 39,5% van de patiënten | 4,6% van de patiënten |
Preventie van CVA en systemische embolie bij patiënten met non‑valvulair atriumfibrilleren | 28 per 100 patiëntjaren | 2,5 per 100 patiëntjaren |
Preventie van atherotrombotische complicaties bij patiënten na een ACS | 22 per 100 patiëntjaren | 1,4 per 100 patiëntjaren |
Preventie van atherotrombotische complicaties bij patiënten met CHZ/PAV | 6,7 per 100 patiëntjaren | 0,15 per 100 patiëntjaren** |
8,38 per 100 patiëntjaren# | 0,74 per 100 patiëntjaren***# |
* Voor alle onderzoeken met rivaroxaban worden alle bloedingsvoorvallen verzameld, gerapporteerd en beoordeeld.
** In het COMPASS‑onderzoek is de incidentie van anemie laag, omdat er een selectieve methode voor het verzamelen van bijwerkingen werd gebruikt.
*** Een selectieve methode voor het verzamelen van bijwerkingen werd gebruikt.
# Afkomstig van het VOYAGER PAD‑onderzoek.
Bijwerkingen weergegeven in tabelvorm
De frequenties van bijwerkingen die werden gemeld met Xarelto bij volwassen en pediatrische patiënten staan per systeem/orgaanklasse (volgens MedDRA) en per frequentie weergegeven in Tabel 5 hieronder.
De frequenties worden als volgt gedefinieerd:
zeer vaak: > 1/10
vaak: ≥ 1/100, < 1/10
soms: ≥ 1/1.000, < 1/100
zelden: ≥ 1/10.000, < 1/1.000
zeer zelden: < 1/10.000
niet bekend: kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald
Tabel 5: Alle bijwerkingen die zijn gemeld bij volwassen patiënten in klinische fase III-studies of tijdens postmarketinggebruik* en bij pediatrische patiënten in twee fase II‑studies en twee fase III‑studies
Vaak | Soms | Zelden | Zeer zelden | Niet bekend |
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | ||||
Anemie (incl. betreffende laboratoriumwaarden) | Trombocytose (incl. verhoogde plaatjestelling) A, trombocytopenie |
|
|
|
Immuunsysteemaandoeningen | ||||
| Allergische reactie, allergische dermatitis, angio‑oedeem en allergisch oedeem |
| Anafylactische reacties, inclusief anafylactische shock |
|
Zenuwstelselaandoeningen | ||||
Duizeligheid, hoofdpijn | Cerebrale en intracraniale hemorragie, syncope |
|
|
|
Oogaandoeningen | ||||
Hemorragie van de ogen (incl. conjunctivale hemorragie) |
|
|
|
|
Hartaandoeningen | ||||
| Tachycardie |
|
|
|
Bloedvataandoeningen | ||||
Hypotensie, hematoom |
|
|
|
|
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | ||||
Epistaxis, bloed ophoesten |
|
| Eosinofiele pneumonie |
|
Maagdarmstelselaandoeningen | ||||
Tandvleesbloeding, hemorragie van het maag-darmkanaal (incl. rectale hemorragie), abdominale en gastro-intestinale pijn, dyspepsie, misselijkheid, obstipatieA, diarree, brakenA | Droge mond |
|
|
|
Lever- en galaandoeningen | ||||
Verhoogde transaminases | Leverfunctiestoornissen, verhoogd bilirubine, verhoogd alkalische fosfatase in het bloedA, verhoogd gammaglutamyltransferase (GGTA) | Geelzucht, verhoogd geconjugeerd bilirubine (al dan niet gepaard gaande met verhoogde ALAT-waarden), cholestase, hepatitis (incl. hepatocellulaire schade) |
|
|
Huid- en onderhuidaandoeningen | ||||
Pruritus (incl. zeldzame gevallen van gegeneraliseerde pruritus), huiduitslag, ecchymose, cutane en subcutane hemorragie | Urticaria |
| Stevens-Johnson-syndroom/ toxische epidermale necrolyse, DRESS‑syndroom |
|
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | ||||
Pijn in de extremiteiten A | Hemartrose | Spierhemorragie |
| Compartiment-syndroom secundair aan een bloeding |
Nier- en urinewegaandoeningen | ||||
Urogenitale hemorragie (incl. hematurie en menorragieB), verminderde nierfunctie (incl. verhoogd bloedcreatinine, verhoogd bloedureum) |
|
|
| Nierfalen/acuut nierfalen secundair aan een bloeding welke kan leiden tot hypoperfusie, nefropathie gerelateerd aan antistollingsmiddel |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | ||||
KoortsA, perifeer oedeem, verminderde algehele kracht en energie (incl. vermoeidheid en asthenie) | Zich onwel voelen (incl. malaise) | Gelokaliseerd oedeemA |
|
|
Onderzoeken | ||||
| Verhoogd LDHA, verhoogd lipaseA, verhoogd amylaseA |
|
|
|
Letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties | ||||
Postprocedurele hemorragie (incl. postoperatieve anemie en wondhemorragie), contusie, wondsecretieA |
| Vasculair pseudoaneurysmaC |
|
|
A: waargenomen bij preventie van VTE bij volwassen patiënten die een electieve heup- of knievervangende operatie ondergaan
B: waargenomen bij behandeling van DVT, PE en preventie van recidieven als zeer vaak bij vrouwen < 55 jaar
C: waargenomen als soms bij preventie van atherotrombotische complicaties bij patiënten na een ACS (na een percutane coronaire interventie)
* In geselecteerde fase III‑onderzoeken werd een vooraf gespecificeerde, selectieve methode voor het verzamelen van bijwerkingen gebruikt. De incidentie van bijwerkingen nam niet toe en na analyse van deze onderzoeken werd geen nieuwe bijwerking vastgesteld.
Beschrijving van bepaalde bijwerkingen
Vanwege het farmacologische werkingsmechanisme kan het gebruik van Xarelto geassocieerd zijn met een verhoogd risico op occulte of duidelijke bloedingen van elk weefsel of orgaan, die kunnen leiden tot posthemorragische anemie. De klachten, symptomen en ernst (inclusief fatale afloop) variëren afhankelijk van de locatie en de mate of uitgebreidheid van de bloeding en/of anemie (zie rubriek 4.9 ‘Behandeling van een bloeding’). In de klinische onderzoeken werden bloedingen van slijmvliezen (bijv. epistaxis, gingivaal, gastro-intestinaal, urogenitaal, met inbegrip van abnormale vaginale of toegenomen menstruele bloedingen) en anemie vaker gezien gedurende een langdurige behandeling met rivaroxaban, in vergelijking met een behandeling met een VKA. Daarom kan, naast een adequaat klinisch toezicht, laboratoriumonderzoek van het hemoglobine/hematocriet van waarde zijn voor het ontdekken van occult bloedverlies en voor het kwantificeren van de klinische relevantie van manifest bloedverlies, indien dit van toepassing wordt geacht.
Het risico op bloedingen kan verhoogd zijn bij bepaalde patiëntengroepen, bijvoorbeeld bij patiënten met ernstige arteriële hypertensie die niet onder controle is en/of die gelijktijdig een behandeling krijgen die de hemostase beïnvloedt (zie rubriek 4.4 ‘Risico op bloedingen’). Menstruele bloedingen kunnen intensiever worden en/of langer duren. Bloedingscomplicaties kunnen zich uiten in zwakte, bleekheid, duizeligheid, hoofdpijn of onverklaarde zwelling, dyspnoe en onverklaarde shock. In sommige gevallen zijn symptomen van cardiale ischemie zoals angina pectoris als gevolg van anemie waargenomen.
Bekende complicaties als gevolg van een ernstige bloeding, zoals compartimentsyndroom en nierfalen als gevolg van hypoperfusie of nefropathie gerelateerd aan antistollingsmiddelzijn gemeld voor Xarelto. Daarom moet bij de beoordeling van de conditie van patiënten die worden behandeld met anticoagulantia altijd de mogelijkheid van een bloeding worden overwogen.
Pediatrische patiënten
Behandeling van VTE en preventie van recidief VTE
De veiligheidsbeoordeling bij kinderen en adolescenten is gebaseerd op de veiligheidsgegevens van twee open‑label fase II‑studies en één open‑label fase III‑studie met actieve comparator bij pediatrische patiënten vanaf de geboorte tot een leeftijd jonger dan 18 jaar. Doorgaans waren de veiligheidsbevindingen voor de diverse pediatrische leeftijdsgroepen vergelijkbaar tussen rivaroxaban en de comparator. In het algemeen was het veiligheidsprofiel bij de 412 kinderen en adolescenten die met rivaroxaban werden behandeld, vergelijkbaar met het veiligheidsprofiel dat is waargenomen bij de volwassen populatie en was het consistent voor alle leeftijdssubgroepen, hoewel de beoordeling beperkt is vanwege het kleine aantal patiënten.
Bij pediatrische patiënten werden hoofdpijn (zeer vaak; 16,7%), koorts (zeer vaak; 11,7%), epistaxis (zeer vaak; 11,2%), braken (zeer vaak; 10,7%), tachycardie (vaak; 1,5%), verhoogd bilirubine (vaak; 1,5%) en verhoogd geconjugeerd bilirubine (soms; 0,7%) frequenter gemeld dan bij volwassenen. In overeenstemming met de volwassen populatie werd menorragie na menarche waargenomen bij 6,6% (vaak) van de vrouwelijke adolescenten. Trombocytopenie, zoals waargenomen in de postmarketingervaring bij de volwassen populatie, kwam vaak (4,6%) voor in klinische studies met kinderen. De bijwerkingen bij pediatrische patiënten waren voornamelijk licht tot matig ernstig.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via
België
Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
www.fagg.be
Afdeling Vigilantie :
Website: www.eenbijwerkingmelden.be
e-mail: adr@fagg-afmps.be
Nederland
Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb
Website: www.lareb.nl
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Bayer AG
51368 Leverkusen
Duitsland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/08/472/050-051
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
06/2024
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 4298204 | XARELTO 1MG/ML GRAN ORALE OPL 103,40 ML | B01AF01 | € 32,03 | - | Ja | - | - |
| 4298212 | XARELTO 1MG/ML GRAN ORALE OPL 51,70ML+2 SPUITEN | B01AF01 | € 18,21 | - | Ja | - | - |