SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Kevzara 150 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
Kevzara 150 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde pen
Kevzara 200 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
Kevzara 200 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde pen
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Kevzara 150 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
Elke voorgevulde spuit bevat 150 mg sarilumab in 1,14 ml oplossing (131,6 mg/ml).
Kevzara 150 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde pen
Elke voorgevulde pen bevat 150 mg sarilumab in 1,14 ml oplossing (131,6 mg/ml).
Kevzara 200 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
Elke voorgevulde spuit bevat 200 mg sarilumab in 1,14 ml oplossing (175 mg/ml).
Kevzara 200 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde pen
Elke voorgevulde pen bevat 200 mg sarilumab in 1,14 ml oplossing (175 mg/ml).
Sarilumab is een humaan monoklonaal antilichaam dat via recombinant-DNA-techniek in ovariumcellen van Chinese hamsters wordt geproduceerd.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie (injectie)
Heldere, kleurloze tot lichtgele steriele oplossing met een pH van ongeveer 6,0.
Kevzara 150 mg oplossing voor injectie
298-346 mmol/kg
Kevzara 200 mg oplossing voor injectie
306-371 mmol/kg
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Reumatoïde artritis
Kevzara in combinatie met methotrexaat (MTX) is geïndiceerd voor de behandeling van matige tot ernstige actieve reumatoïde artritis (RA) bij volwassen patiënten die onvoldoende reageerden op of intolerant waren voor één of meerdere disease-modifying antirheumatic drugs (DMARD's). Kevzara kan worden toegediend als monotherapie in geval van intolerantie voor MTX of wanneer de behandeling met MTX niet geschikt is (zie rubriek 5.1).
Polymyalgia rheumatica
Kevzara is geïndiceerd voor de behandeling van polymyalgia rheumatica (PMR) bij volwassen patiënten die onvoldoende hebben gereageerd op corticosteroïden of bij wie een terugval optreedt tijdens het afbouwen van corticosteroïden.
4.2 Dosering en wijze van toediening
De behandeling dient te worden opgestart en plaats te vinden onder toezicht van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg met ervaring in de diagnose en behandeling van de aandoening waarvoor dit geneesmiddel bedoeld is (zie rubriek 4.1). Patiënten moeten de patiëntenkaart ontvangen.
Dosering
Reumatoïde artritis
De aanbevolen dosering sarilumab is 200 mg eenmaal per 2 weken, toegediend door middel van een subcutane injectie.
Polymyalgia rheumatica
De aanbevolen dosis sarilumab is 200 mg om de 2 weken, toegediend door middel van een subcutane injectie, in combinatie met een afbouwkuur van systemische corticosteroïden, waarna sarilumab als monotherapie kan worden voortgezet.
Er zijn gegevens beschikbaar over patiënten die maximaal 1 jaar werden behandeld. Daarom moet de behandeling na 52 weken worden geleid door ziekteactiviteit, het oordeel van de arts en de keuze van de patiënt.
Dosisaanpassing
Reumatoïde artritis
Een vermindering van de dosis van 200 mg om de 2 weken naar 150 mg om de 2 weken wordt aanbevolen om neutropenie, trombocytopenie en verhoogde leverenzymwaarden onder controle te houden.
Bij patiënten die een ernstige infectie ontwikkelen moet de behandeling met sarilumab tijdelijk worden onderbroken tot de infectie onder controle is.
Het starten van een behandeling met sarilumab wordt niet aanbevolen bij patiënten met een laag absoluut aantal neutrofielen (absolute neutrophil count - ANC) van minder dan 2 x 109/l.
Het starten van een behandeling met sarilumab wordt niet aanbevolen bij patiënten met een aantal bloedplaatjes van minder dan 150 x 103/µl.
Tabel 1: Aanbevolen dosisaanpassingen in geval van neutropenie, trombocytopenie of verhoogde leverenzymwaarden bij reumatoïde artritis (zie rubriek 4.4 en 4.8):
Laag absoluut aantal neutrofielen (zie rubriek 5.1) | |
Laboratoriumwaarde (cellen x 109/l) | Aanbeveling |
ANC groter dan 1 | De huidige dosis sarilumab moet worden gehandhaafd. |
ANC 0,5-1 | De behandeling met sarilumab moet worden onderbroken totdat >1 x 109/l. |
ANC minder dan 0,5 | De behandeling met sarilumab moet worden stopgezet. |
Laag aantal bloedplaatjes | |
Laboratoriumwaarde (cellen x 103/µL) | Aanbeveling |
50 tot 100 | De behandeling met sarilumab moet worden onderbroken totdat >100 x 103/µl. |
Minder dan 50 | Indien bevestigd door herhaald onderzoek, moet de behandeling met sarilumab worden stopgezet. |
Afwijkingen in leverenzymen | |
Laboratoriumwaarde | Aanbeveling |
ALAT > 1 tot 3 x bovengrens van de normaalwaarde (Upper Limit of Normal; ULN) | Klinisch geschikte dosisaanpassing van gelijktijdige DMARD’s of immunomodulerende middelen moet worden overwogen. |
ALAT > 3 tot 5 x ULN | De behandeling met sarilumab moet worden onderbroken totdat < 3 x ULN. |
ALAT > 5 x ULN | De behandeling met sarilumab moet worden stopgezet. |
Polymyalgia rheumatica (PMR)
Afwijkende laboratoriumwaarden: top met sarilumab bij patiënten met PMR die de volgende afwijkende laboratoriumwaarden ontwikkelen (zie rubriek 4.4 en 5.1):
- neutropenie (ANC lager dan 1 x 109/l aan het einde van het doseringsinterval)
- trombocytopenie (aantal bloedplaatjes lager dan 100 x 103 μl)
- ASAT- of ALAT-verhogingen (3 keer hoger dan de ULN)
Er zijn geen dosisaanpassingen onderzocht bij patiënten met PMR met deze aandoeningen. Voor criteria voor het opstarten van de behandeling, zie de dosering voor PMR.
Vergeten dosis
Indien de patiënt een dosis sarilumab heeft vergeten en er zijn niet meer dan 3 dagen verstreken sinds de vergeten dosis, dan moet de volgende dosis zo snel mogelijk worden toegediend. De daaropvolgende dosis moet volgens het normale schema worden toegediend. Als er 4 dagen of langer zijn verstreken sinds de vergeten dosis, dan moet de volgende dosis volgens het normale schema worden toegediend; de dosis mag niet worden verdubbeld.
Speciale populaties
Nierfunctiestoornis
Er is geen dosisaanpassing nodig bij patiënten met een lichte tot matige nierfunctiestoornis. Sarilumab is niet onderzocht bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (zie rubriek 5.2).
Leverfunctiestoornis
De veiligheid en werkzaamheid van sarilumab zijn niet onderzocht bij patiënten met een leverfunctiestoornis, waaronder patiënten met positieve serologie-uitslag voor hepatitis B-virus (HBV) of hepatitis C-virus (HCV) (zie rubriek 4.4).
Oudere patiënten
Er is geen dosisaanpassing nodig bij patiënten ouder dan 65 jaar (zie rubriek 4.4).
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van de voorgevulde spuit/voorgevulde pen met sarilumab bij kinderen en jongeren tot 18 jaar zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.
Wijze van toediening
Subcutaan gebruik.
De injectieplaats (buik, dij en bovenarm) moet bij iedere injectie worden afgewisseld. Sarilumab mag niet worden geïnjecteerd in huid die gevoelig of beschadigd is, of waar een kneuzing of littekenweefsel zit.
Voorgevulde spuit en voorgevulde pen
De volledige inhoud (1,14 ml) van de voorgevulde spuit/pen moet worden toegediend als subcutane injectie.
Voor de voorgevulde spuit/voorgevulde pen: een patiënt mag sarilumab zelf toedienen of de verzorger van de patiënt kan dit doen, indien de beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg beslist dat dit van toepassing is. Patiënten en/of hun verzorgers moeten gepaste training krijgen met betrekking tot het klaarmaken en toedienen van sarilumab voor gebruik.
De voorgevulde spuit of pen is niet onderzocht bij pediatrische patiënten.
De bijsluiter bevat duidelijke instructies voor het toedienen van dit geneesmiddel.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen. Actieve, ernstige infecties (zie rubriek 4.4)
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De meest voorkomende bijwerkingen bij RA (n=661) en PMR (n=59) patiënten zijn neutropenie (14,3%), bovensteluchtweginfecties (6,8%), verhoogd ALAT (6,3%), urineweginfecties (5,3%), en erytheem op de injectieplaats (5,0%). De vaakst voorkomende ernstige bijwerkingen zijn infecties (3,1%) (zie rubriek 4.4).
Lijst van bijwerkingen in tabelvorm
Bijwerkingen vermeld in de tabel zijn gemeld in gecontroleerde klinische studies. De frequentie van de hieronder vermelde bijwerkingen is gedefinieerd volgens de volgende conventie: zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1.000); zeer zelden (<1/10.000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald. Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.
Tabel 2: Bijwerkingen bij patiënten met RA en PMR
Systeem/orgaanklasse volgens MedDRA | Frequentie | Bijwerking |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Vaak | Bovensteluchtweginfecties |
Urineweginfecties | ||
| ||
Orale herpes | ||
Cellulitis | ||
Pneumonie | ||
Soms |
| |
| ||
Nasofaryngitis | ||
Diverticulitis | ||
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Zeer vaak | Neutropenie* |
Vaak |
| |
Leukopenie* | ||
Trombocytopenie | ||
Voedings- en stofwisselingsstoornissen | Vaak | Hypertriglyceridemie |
Hypercholesterolemie | ||
| ||
Maagdarmstelselaandoeningen | Zelden | Gastro-intestinale perforatie |
Lever- en galaandoeningen | Vaak | Verhoogd transaminase |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Vaak | Erytheem op de injectieplaats |
Pruritus op de injectieplaats* |
*In de SAPHYR-studie zijn bij PMR-patiënten neutropenie, leukopenie en pruritus op de injectieplaats de gemelde bijwerkingen.
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Reumatoïde artritis
Infecties
Bij de placebogecontroleerde populatie was het aantal infecties 84,5, 81,0 en 75,1 voorvallen per 100 patiëntjaren, in respectievelijk de groep met 200 mg sarilumab + DMARD’s, de groep met 150 mg sarilumab + DMARD’s en de groep met placebo + DMARD’s. De vaakst gemelde infecties (5% tot 7% van de patiënten) waren infecties van de bovenste luchtwegen, urineweginfecties en nasofaryngitis. Het aantal ernstige infecties was 4,3, 3,0 en 3,1 voorvallen per 100 patiëntjaren, in respectievelijk de groep met 200 mg Kevzara + DMARD’s, de groep met 150 mg sarilumab + DMARD’s en de groep met placebo + DMARD’s.
Bij de onderzoekspopulatie voor de langetermijnveiligheid van sarilumab +DMARD’s was het aantal infecties en ernstige infecties respectievelijk 57,3 en 3,4 voorvallen per 100 patiëntjaren.
De meest frequent waargenomen ernstige infecties omvatten pneumonie en cellulitis. Gevallen van een opportunistische infectie zijn gemeld (zie rubriek 4.4).
De totale aantallen infecties en ernstige infecties bij de populatie met sarilumab als monotherapie kwamen overeen met de aantallen in de populatie met sarilumab + DMARD’s.
Gastro-intestinale perforatie
Gastro-intestinale perforatie werd gemeld bij patiënten met en zonder diverticulitis. De meeste patiënten waarbij een gastro-intestinale perforatie plaatsvond, namen gelijktijdig niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s), corticosteroïden of MTX. De bijdrage van deze gelijktijdig gebruikte geneesmiddelen verwant aan sarilumab op de ontwikkeling van gastro-intestinale perforaties is onbekend (zie rubriek 4.4).
Overgevoeligheidsreacties
Bij de placebogecontroleerde populatie lag het percentage patiënten dat met de behandeling stopte als gevolg van overgevoeligheidsreacties hoger bij hen die met sarilumab werden behandeld (0,9% in de groep met 200 mg, 0,5% in de groep met 150 mg) dan bij placebo (0,2%). Het aantal stopzettingen als gevolg van overgevoeligheid bij de onderzoekspopulatie voor de langetermijnveiligheid van sarilumab + DMARD’s en de populatie met sarilumab als monotherapie kwam overeen met die van de placebogecontroleerde populatie. In de placebogecontroleerde populatie werd bij 0,2% van de patiënten in de groep met sarilumab 200 mg elke twee weken (q2w) + DMARD melding gemaakt van ernstige overgevoeligheidsreacties, in de groep met sarilumab 150 mg q2w + DMARD zijn hier geen gevallen van gemeld.
Reacties op de injectieplaats
Bij de placebogecontroleerde populatie werd melding gemaakt van reacties op de injectieplaats bij 9,5%, 8% en 1,4% van de patiënten die respectievelijk sarilumab 200 mg, 150 mg en placebo ontvingen. Deze reacties op de injectieplaats (inclusief erytheem en pruritus) waren voor de meeste patiënten (respectievelijk 99.5%, 100%, en 100%, voor sarilumab 200 mg, 150 mg, en placebo) licht tot matig van aard. Twee patiënten die met sarilumab werden behandeld (0,2%) zijn met de behandeling gestopt als gevolg van reacties op de injectieplaats.
Afwijkende laboratoriumwaarden
Om een directe vergelijking te kunnen uitvoeren van het aantal afwijkende laboratoriumwaarden tussen de placebo en de actieve behandeling werden gegevens van week 0-12 gebruikt, omdat deze zijn verzameld voordat patiënten mochten overstappen van placebo op sarilumab.
Aantal neutrofielen
Afnames in het aantal neutrofielen tot onder 1 x 109/l kwamen voor bij 6,4% en 3,6% van de patiënten in de groepen met respectievelijk 200 mg en 150 mg sarilumab + DMARD’s, tegenover geen enkele patiënt in de groep met placebo + DMARD’s. Afnames in het aantal neutrofielen tot onder 0,5 x 109/l kwamen voor bij 0,8% en 0,6% van de patiënten in de groepen met respectievelijk 200 mg en 150 mg sarilumab + DMARD’s. Bij patiënten waarbij een afname in het absolute aantal neutrofielen (ANC) voorkwam, resulteerde een aanpassing van het behandelingsschema, zoals een tijdelijke stopzetting van sarilumab of een dosisverlaging, in een toename of normalisatie van ANC (zie rubriek 4.2). Een verlaging van ANC werd niet geassocieerd met een toegenomen incidentie van infecties, inclusief ernstige infecties.
Bij de onderzoekspopulatie voor de langetermijnveiligheid van sarilumab + DMARD’s en de populatie met sarilumab als monotherapie kwamen het waargenomen aantal neutrofielen overeen met die van de placebogecontroleerde populatie (zie rubriek 4.4).
Aantal bloedplaatjes
Afnames in het aantal bloedplaatjes tot onder 100 x 103/µl kwamen voor bij 1,2% en 0,6% van de patiënten met respectievelijk 200 mg en 150 mg sarilumab + DMARD’s, tegenover geen enkele patiënt met placebo + DMARD’s.
Bij de onderzoekspopulatie voor de langetermijnveiligheid van sarilumab + DMARD’s en de populatie met sarilumab als monotherapie kwamen het waargenomen aantal bloedplaatjes overeen met die van de placebogecontroleerde populatie.
Er kwamen geen bloedingen voor die werden geassocieerd met een afname in het aantal bloedplaatjes.
Leverenzymwaarden
Afwijkingen in de leverenzymwaarden zijn samengevat in tabel 3. Bij patiënten bij wie een verhoging van de leverenzymwaarden voorkwam, resulteerde een aanpassing van het behandelingsschema, zoals een tijdelijke stopzetting van de behandeling of een dosisverlaging, in een afname of normalisatie van de leverenzymwaarden (zie rubriek 4.2). Deze verhogingen werden niet geassocieerd met klinisch relevante toenames van directe bilirubine, noch met klinisch bewijs van hepatitis of leverinsufficiëntie (zie rubriek 4.4).
Tabel 3: Incidentie van afwijkende leverenzymwaarden in gecontroleerde klinische onderzoeken
| Placebo + DMARD | Sarilumab150 mg + DMARD | Sarilumab200 mg + DMARD | Sarilumab monotherapie iedere dosis |
ASAT (Aspartaat-aminotransferase) |
|
|
|
|
>3 x ULN – | 0% | 1,2% | 1,1% | 1,1% |
>5 x ULN | 0% | 0,6% | 0,2% | 0% |
ALAT (Alanine-aminotransferase) |
|
|
|
|
>3 x ULN – | 0,6% | 3,2% | 2,4% | 1,9% |
>5 x ULN | 0% | 1,1% | 0,8% | 0,2% |
Lipiden
Lipidenwaarden (LDL, HDL en triglyceriden) werden voor het eerst gemeten 4 weken na de start van de behandeling met sarilumab + DMARD’s in de placebogecontroleerde populatie. Ten tijde van week 4 was het gemiddelde LDL toegenomen met 14 mg/dl; gemiddelde triglyceriden met 23 mg/dl; en het gemiddelde HDL met 3 mg/dl. Na week 4 werden geen verdere toenames waargenomen. Er was geen belangrijk verschil tussen de verschillende doseringen.
Bij de onderzoekspopulatie voor de langetermijnveiligheid van sarilumab + DMARD’s en de populatie met sarilumab als monotherapie kwamen de waargenomen lipidenwaarden overeen met die van de placebogecontroleerde populatie.
Maligniteiten
Bij de placebogecontroleerde populatie kwam eenzelfde aantal maligniteiten voor bij patiënten die sarilumab + DMARD’s ontvingen als bij patiënten met placebo + DMARD’s (1,0 gevallen per 100 patiëntjaren).
Bij de onderzoekspopulatie voor de langetermijnveiligheid van sarilumab + DMARD’s en de populatie met sarilumab als monotherapie kwam het aantal maligniteiten overeen met die van de placebogecontroleerde populatie (zie rubriek 4.4).
Immunogeniciteit
Zoals bij alle therapeutische proteïnen bestaat ook bij sarilumab de kans op immunogeniciteit.
In de placebogecontroleerde populatie vertoonden 4,0%, 5,6% en 2,0% van de patiënten met respectievelijk sarilumab 200 mg + DMARD’s, sarilumab 150 mg + DMARD’s en placebo + DMARD’s een positieve respons in de antigeneesmiddel-antilichaam (Anti-Drug Antibody - ADA) assay. Positieve respons in de neutraliserende antilichaam (Neutralizing Antibody - NAb) assay werd gevonden bij 1,0%, 1,6% en 0,2% van de patiënten met respectievelijk sarilumab 200 mg, sarilumab 150 mg en placebo.
Bij de populatie met sarilumab als monotherapie kwamen de waarnemingen overeen met de populatie met sarilumab + DMARD’s.
Het aanmaken van het ADA (antidrug antibodies) kan een invloed hebben op de farmacokinetiek van sarilumab. Er werd geen samenhang waargenomen tussen de ontwikkeling van ADA en het verlies van werkzaamheid of bijwerkingen.
Polymyalgia rheumatica
De veiligheid van sarilumab werd onderzocht in één fase 3-studie (SAPHYR) bij 117 PMR-patiënten van wie 59 subcutaan sarilumab 200 mg kregen (zie rubriek 5.1). De totale duur van de patiëntjaren in de sarilumab PMR-populatie was 47,37 patiëntjaren tijdens de 12 maanden durende dubbelblinde, placebogecontroleerde studie. Veiligheidsgegevens zijn tot maximaal 1 jaar beschikbaar.
Infecties
In de SAPHYR-studie was het aandeel patiënten met infecties lager in de groep die sarilumab 200 mg kreeg met 14 weken durende prednisonafbouw (37,3%) in vergelijking met de groep die placebo kreeg met 52 weken durende prednisonafbouw (50,0%). Ernstige infecties werden gemeld bij 3 (5,1%) patiënten in de groep die sarilumab 200 mg kreeg met 14 weken durende prednisonafbouw (allemaal gevallen van bacteriële infecties) en 3 (5,2%) patiënten in de groep die placebo kreeg met 52 weken durende prednisonafbouw (allemaal gevallen van COVID-19-infectie).
Afwijkende laboratoriumwaarden
Aantal neutrofielen
In de SAPHYR-studie traden afnames van het aantal neutrofielen onder 1 x 109/l op bij 7 (12%) patiënten in de sarilumabgroep, waarvan 2 (3,4%) ernstig waren (afnames van het aantal neutrofielen onder 0,5 x 109/l).
Leverenzymwaarden
In de SAPHYR-studie had geen enkele met sarilumab behandelde patiënt een ALT of AST van meer dan 3 keer de bovengrens van normaal (ULN). In de placebogroep hadden 2 patiënten verhoogde ALAT-waarden van meer dan 3x ULN.
Immunogeniciteit
Zoals bij alle therapeutische proteïnen bestaat ook bij sarilumab een kans op immunogeniciteit.
In de PMR-populatie vertoonde 1 (1,8%) patiënt behandeld met sarilumab 200 mg een aanhoudende antigeneesmiddel-antilichaam (Anti-Drug Antibody - ADA)-respons en geen van de patiënten in de placebogroep vertoonde een ADA-respons. Positieve respons in de neutraliserende antilichaam assay werd gedetecteerd bij de PMR-patiënt met ADA-respons op sarilumab 200 mg. Vanwege het lage optreden van ADA is het effect van deze antilichamen op de veiligheid en/of werkzaamheid van sarilumab onbekend.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van de voorgevulde spuit/voorgevulde pen met sarilumab bij kinderen en jongeren tot 18 jaar zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via:
België: Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten: www.fagg.be – Afdeling Vigilantie: Website: www.eenbijwerkingmelden.be – E-mail: adr@fagg-afmps.be
Nederland: Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb – Website: www.lareb.nl
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Sanofi Winthrop Industrie
82 avenue Raspail
94250 Gentilly
Frankrijk
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/17/1196/001
EU/1/17/1196/002
EU/1/17/1196/003
EU/1/17/1196/004
EU/1/17/1196/005
EU/1/17/1196/006
EU/1/17/1196/007
EU/1/17/1196/008
EU/1/17/1196/009
EU/1/17/1196/010
EU/1/17/1196/011
EU/1/17/1196/012
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
02/2026
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau https://www.ema.europa.eu.
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 3593662 | KEVZARA 150MG OPL INJ VOORGEV.PEN GLAS 2X1,14ML | L04AC14 | € 923,67 | - | Ja | € 12,8 | € 8,5 |
| 3593670 | KEVZARA 200MG OPL INJ VOORGEV.PEN GLAS 2X1,14ML | L04AC14 | € 923,67 | - | Ja | € 12,8 | € 8,5 |
| 3593688 | KEVZARA 200MG OPL INJ VOORGEV.SPUIT GLAS 2X1,14ML | L04AC14 | € 923,67 | - | Ja | € 12,8 | € 8,5 |
| 3593696 | KEVZARA 150MG OPL INJ VOORGEV.SPUIT GLAS 2X1,14ML | L04AC14 | € 923,67 | - | Ja | € 12,8 | € 8,5 |



