BIJLAGE I
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Odefsey 200 mg/25 mg/25 mg filmomhulde tabletten.
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke filmomhulde tablet bevat 200 mg emtricitabine, rilpivirinehydrochloride overeenkomend met 25 mg rilpivirine en tenofoviralafenamidefumaraat overeenkomend met 25 mg tenofoviralafenamide.
Hulpstoffen met bekend effect
Elke tablet bevat 180,3 mg lactose (als monohydraat).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tablet.
Grijze, capsulevormige, filmomhulde tablet met een afmeting van 15 mm x 7 mm, met aan de ene kant van de tablet “GSI” en aan de andere kant van de tablet “255” gegraveerd.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Odefsey is geïndiceerd voor de behandeling van volwassenen en adolescenten (in de leeftijd van 12 jaar en ouder met een lichaamsgewicht van ten minste 35 kg) die zijn geïnfecteerd met het humaan immunodeficiëntievirus‑1 (hiv‑1) zonder bekende mutaties geassocieerd met resistentie voor de klasse van niet-nucleoside reverse transcriptaseremmers (NNRTI’s), tenofovir of emtricitabine en met een virusbelasting ≤ 100.000 hiv‑1 RNA kopieën/ml (zie rubrieken 4.2, 4.4 en 5.1).
4.2 Dosering en wijze van toediening
De therapie moet worden gestart door een arts met ervaring in de behandeling van hiv‑infecties.
Dosering
Eén tablet, eenmaal daags met voedsel in te nemen (zie rubriek 5.2).
Wanneer de patiënt een dosis Odefsey heeft overgeslagen en dit binnen 12 uur na het gebruikelijke tijdstip van innemen bemerkt, moet de patiënt Odefsey zo snel mogelijk met voedsel innemen en doorgaan met het normale doseringsschema. Wanneer een patiënt een dosis Odefsey heeft overgeslagen en dit later dan 12 uur na het gebruikelijke tijdstip van innemen bemerkt, mag de patiënt de overgeslagen dosis niet meer innemen en moet de patiënt gewoon doorgaan met het gebruikelijke doseringsschema.
Wanneer de patiënt binnen 4 uur na het innemen van Odefsey overgeeft, moet hij/zij een nieuwe tablet met voedsel innemen. Wanneer de patiënt meer dan 4 uur na het innemen van Odefsey overgeeft, hoeft hij/zij geen nieuwe dosis Odefsey in te nemen vóór de normaal geplande dosis.
Ouderen
Bij oudere patiënten is geen dosisaanpassing van Odefsey noodzakelijk (zie rubriek 5.2).
Nierfunctiestoornis
Bij volwassenen of adolescenten (van ten minste 12 jaar oud en met een lichaamsgewicht van ten minste 35 kg) met een geschatte creatinineklaring (CrCl) ≥ 30 ml/min is geen dosisaanpassing van Odefsey noodzakelijk. Odefsey moet worden gestopt bij patiënten met een geschatte CrCl die tijdens de behandeling afneemt tot minder dan 30 ml/min (zie rubriek 5.2).
Bij volwassenen met een terminale nieraandoening (geschatte CrCl < 15 ml/min) die chronische hemodialyse ondergaan, is geen dosisaanpassing van Odefsey noodzakelijk; Odefsey dient in het algemeen echter te worden vermeden bij deze patiënten, maar kan bij hen worden gebruikt als wordt geoordeeld dat de mogelijke voordelen opwegen tegen de mogelijke risico’s (zie rubriek 4.4 en 5.2). Op hemodialysedagen moet Odefsey worden toegediend na voltooiing van de hemodialysebehandeling.
Odefsey dient te worden vermeden bij patiënten met een geschatte CrCl ≥ 15 ml/min en < 30 ml/min, en ook bij patiënten met een geschatte CrCl < 15 ml/min die geen chronische hemodialyse ondergaan, aangezien de veiligheid van Odefsey niet is vastgesteld bij deze patiëntgroepen.
Er zijn geen gegevens beschikbaar om doseringsaanbevelingen te doen voor kinderen jonger dan 18 jaar met een terminale nieraandoening.
Leverfunctiestoornis
Bij patiënten met een lichte (Child‑Pugh-klasse A) of matige (Child‑Pugh-klasse B) leverfunctiestoornis is geen dosisaanpassing van Odefsey noodzakelijk. Bij het gebruik van Odefsey bij patiënten met matige leverfunctiestoornis is voorzichtigheid geboden. Odefsey is niet onderzocht bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis (Child‑Pugh-klasse C); daarom wordt Odefsey niet aanbevolen voor gebruik bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis (zie rubrieken 4.4 en 5.2).
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van Odefsey bij kinderen jonger dan 12 jaar, of met een lichaamsgewicht < 35 kg, zijn nog niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.
Wijze van toediening
Voor oraal gebruik
Odefsey dient oraal, eenmaal daags, met voedsel te worden ingenomen (zie rubriek 5.2). Het wordt aanbevolen de filmomhulde tablet niet te kauwen, fijn te maken of door midden te breken vanwege de bittere smaak.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Odefsey mag niet gelijktijdig worden toegediend met geneesmiddelen die kunnen leiden tot een significante afname van de plasmaconcentraties van rilpivirine (vanwege enzyminductie van cytochroom P450 [CYP]3A of een verhoging van de pH in de maag), waardoor het therapeutisch effect van Odefsey kan verdwijnen (zie rubriek 4.5), onder meer:
- carbamazepine, oxcarbazepine, fenobarbital, fenytoïne
- rifabutine, rifampicine, rifapentine
- omeprazol, esomeprazol, dexlansoprazol, lansoprazol, pantoprazol, rabeprazol
- dexamethason (orale en parenterale doses), tenzij ter behandeling als eenmalige dosis gegeven
- sint-janskruid (Hypericum perforatum)
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De vaakst gemelde bijwerkingen in klinische onderzoeken bij niet eerder behandelde patiënten die emtricitabine + tenofoviralafenamide innamen in combinatie met elvitegravir + cobicistat waren misselijkheid (11%), diarree (7%) en hoofdpijn (6%). De vaakst gemelde bijwerkingen in klinische onderzoeken bij niet eerder behandelde patiënten die rilpivirinehydrochloride innamen in combinatie met emtricitabine + tenofovirdisoproxilfumaraat waren misselijkheid (9%), duizeligheid (8%), abnormale dromen (8%), hoofdpijn (6%), diarree (5%) en slapeloosheid (5%).
Samenvatting van de bijwerkingen in tabelvorm
De beoordeling van bijwerkingen is gebaseerd op veiligheidsgegevens afkomstig uit alle fase 2- en fase‑3-onderzoeken waarin patiënten emtricitabine + tenofoviralafenamide ontvingen, gegeven met elvitegravir + cobicistat in de vorm van een tablet met vaste dosiscombinatie, gepoolde gegevens van patiënten die rilpivirine 25 mg eenmaal daags ontvingen in combinatie met andere antiretrovirale geneesmiddelen in de gecontroleerde onderzoeken TMC278‑C209 en TMC278‑C215, patiënten die Odefsey ontvingen in onderzoek GS‑US‑366‑1216 en onderzoek GS‑US‑366‑1160, en post‑marketingervaring.
De bijwerkingen in tabel 2 zijn vermeld per systeem/orgaanklasse en hoogste waargenomen frequentie. De frequentie wordt als volgt gedefinieerd: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10) of soms (≥ 1/1000, < 1/100).
Tabel 2: Lijst van de bijwerkingen in tabelvorm
Frequentie | Bijwerking |
Bloed‑ en lymfestelselaandoeningen | |
Vaak: | afname aantal witte bloedcellen1, verlaging hemoglobine1, afname aantal trombocyten1 |
Soms: | anemie2 |
Immuunsysteemaandoeningen | |
Soms: | immuunreactiveringssyndroom1 |
Voedings- en stofwisselingsstoornissen | |
Zeer vaak: | verhoogd totaal cholesterol (nuchter)1, verhoogd LDL‑cholesterol (nuchter)1 |
Vaak: | afgenomen eetlust1, verhoogde triglyceriden (nuchter)1 |
Psychische stoornissen | |
Zeer vaak: | slapeloosheid1 |
Vaak: | depressie1, abnormale dromen1,3, slaapstoornissen1, gedeprimeerde stemming1 |
Zenuwstelselaandoeningen | |
Zeer vaak: | hoofdpijn1,3, duizeligheid1,3 |
Vaak: | slaperigheid1 |
Maagdarmstelselaandoeningen | |
Zeer vaak: | misselijkheid1,3, verhoogde pancreasamylase1 |
Vaak: | buikpijn1,3, braken1,3, verhoogde lipase1, onaangenaam gevoel in de buik1, droge mond1, winderigheid3, diarree3 |
Soms: | dyspepsie3 |
Lever- en galaandoeningen | |
Zeer vaak: | verhoogde transaminasen (ASAT en/of ALAT)1 |
Vaak: | verhoogde bilirubine1 |
Huid‑ en onderhuidaandoeningen | |
Vaak: | huiduitslag1,3 |
Soms: | ernstige huidreacties met systemische klachten4, angio-oedeem5, 6, pruritus3, urticaria6 |
Skeletspierstelsel‑ en bindweefselaandoeningen | |
Soms: | artralgie3 |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | |
Vaak: | vermoeidheid1,3 |
1 Bijwerkingen geïdentificeerd in klinische onderzoeken van rilpivirine.
2 Deze bijwerking werd niet waargenomen in de fase 3-onderzoeken van emtricitabine + tenofoviralafenamide in combinatie met elvitegravir + cobicistat of in de fase 3-onderzoeken met Odefsey, maar geïdentificeerd in klinisch onderzoek of postmarketingervaring met emtricitabine bij gebruik met andere antiretrovirale middelen.
3 Bijwerkingen geïdentificeerd in klinische onderzoeken van producten die emtricitabine + tenofoviralafenamide bevatten.
4 Bijwerking geïdentificeerd in postmarketingbewaking van emtricitabine/rilpivirine/tenofovirdisoproxilfumaraat.
5 Bijwerking geïdentificeerd in postmarketingbewaking van producten die emtricitabine bevatten.
6 Bijwerking geïdentificeerd in postmarketingbewaking van producten die tenofoviralafenamide bevatten.
Afwijkingen in laboratoriumuitkomsten
Veranderingen in serumcreatinine voor behandeling met rilpivirine
De gepoolde gegevens uit de fase 3-onderzoeken TMC278‑C209 en TMC278‑C215 van niet eerder behandelde patiënten wijzen ook uit dat het serumcreatinine toenam en de geschatte glomerulaire filtratiesnelheid (eGFR) afnam bij een 96 weken durende behandeling met rilpivirine. Deze toename in creatinine en afname in eGFR vonden grotendeels in de eerste vier weken van de behandeling plaats. Gedurende een 96 weken durende behandeling met rilpivirine werd een gemiddelde verandering van 0,1 mg/dl (spreiding: ‑0,3 mg/dl tot 0,6 mg/dl) voor creatinine en ‑13,3 ml/min/1,73 m2 (spreiding: ‑63,7 ml/min/1,73 m2 tot 40,1 ml/min/1,73 m2) voor eGFR gezien. Bij patiënten die met lichte of matige nierfunctiestoornis in het onderzoek werden opgenomen, was de toename van het serumcreatinine vergelijkbaar met de toename die werd waargenomen bij patiënten met een normale nierfunctie. Deze toenames hielden geen verband met een verandering in de werkelijke glomerulaire filtratiesnelheid (GFR).
Veranderingen in laboratoriumuitslagen lipidenonderzoek
In onderzoeken met niet eerder behandelde patiënten die emtricitabine + tenofoviralafenamide (FTC + TAF) of emtricitabine + tenofovirdisoproxilfumaraat (FTC + TDF) ontvingen, in beide gevallen gegeven met elvitegravir + cobicistat als tablet met vaste dosiscombinatie, werden in beide behandelingsgroepen stijgingen ten opzichte van de uitgangswaarde waargenomen voor de nuchtere lipidenparameters totaal cholesterol, direct low density‑lipoproteïne (LDL)‑ en high density‑lipoproteïne (HDL)‑cholesterol en triglyceriden in week 144. De mediane toename vanaf de uitgangswaarde voor deze parameters was groter voor patiënten die FTC + TAF ontvingen dan voor patiënten die FTC + TDF ontvingen (p < 0,001 voor het verschil tussen de behandelingsgroepen voor nuchter totaal cholesterol, direct LDL‑ en HDL‑cholesterol en triglyceriden). De mediane (Q1, Q3) verandering vanaf de uitgangswaarde in de totaal cholesterol/HDL‑cholesterolratio op week 144 was 0,2 (‑0,3; 0,7) in de groep die FTC + TAF ontving, en 0,1 (‑0,4; 0,6) in de groep die FTC + TDF ontving (p = 0,006 voor het verschil tussen de behandelingsgroepen).
Het overschakelen van een op TDF gebaseerd regime op Odefsey kan leiden tot een lichte toename van lipidenparameters. In een onderzoek bij patiënten met virologische onderdrukking die van FTC/RPV/TDF overschakelden op Odefsey (onderzoek GS‑US‑366‑1216) werden in de groep die Odefsey kreeg toenamen ten opzichte van de uitgangswaarde waargenomen voor de nuchtere waarden van het totaal cholesterol, direct LDL-cholesterol, HDL-cholesterol en triglyceriden; er werden in geen van beide behandelingsgroepen klinisch relevante veranderingen ten opzichte van de uitgangswaarde gezien voor de mediane nuchtere waarden van de totaal cholesterol/HDL-cholesterolratio in week 96. In een onderzoek bij patiënten met virologische onderdrukking die overschakelden van EFV/FTC/TDF op Odefsey (onderzoek GS‑US‑366‑1160) werden in de groep die Odefsey kreeg afnamen ten opzichte van de uitgangswaarde waargenomen voor de nuchtere waarden van totaal cholesterol en HDL-cholesterol; er werden in geen van beide behandelingsgroepen klinisch relevante veranderingen ten opzichte van de uitgangswaarde gezien voor de mediane nuchtere waarden van de totaal cholesterol/HDL-cholesterolratio, van direct LDL-cholesterol of van triglyceriden in week 96.
Cortisol
In de gepoolde fase 3-onderzoeken TMC278‑C209 en TMC278‑C215 van niet eerder behandelde patiënten bedroeg het algehele gemiddelde verschil met de uitgangswaarde in week 96 voor basaal cortisol ‑19,1 (‑30,85; ‑7,37) nmol/l in de rilpivirine-groep, en ‑0,6 (‑13,29; 12,17) nmol/l in de efavirenz-groep. In week 96 was de gemiddelde verandering ten opzichte van de uitgangswaarde wat betreft ACTH‑gestimuleerde cortisolwaarden lager voor de rilpivirine-groep (+18,4 ± 8,36 nmol/l) dan voor de efavirenz-groep (+54,1 ± 7,24 nmol/l). De gemiddelde waarden voor de rilpivirine-groep voor basaal en ACTH‑gestimuleerd cortisol in week 96 vielen binnen het normale bereik. Deze veranderingen in de adrenale veiligheidsparameters waren niet klinisch significant. Er waren geen klachten of symptomen die op adrenale of gonadale stoornissen bij volwassenen leken te wijzen.
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Metabole parameters
Gewicht en de serumlipiden‑ en bloedglucosespiegels kunnen toenemen tijdens antiretrovirale behandeling (zie rubriek 4.4).
Immuunreactiveringssyndroom
Bij met hiv geïnfecteerde patiënten die op het moment dat cART wordt gestart een ernstige immuundeficiëntie hebben, kan zich een ontstekingsreactie op asymptomatische of nog aanwezige opportunistische infecties voordoen. Auto-immuunaandoeningen (zoals de ziekte van Graves en auto-immuunhepatitis) zijn ook gemeld; de gerapporteerde tijd tot het eerste optreden is echter variabeler en deze voorvallen kunnen vele maanden na het starten van de behandeling optreden (zie rubriek 4.4).
Osteonecrose
Er zijn gevallen van osteonecrose gemeld, vooral bij patiënten met algemeen erkende risicofactoren, voortgeschreden hiv‑infectie of langdurige blootstelling aan cART. De frequentie hiervan is niet bekend (zie rubriek 4.4).
Ernstige huidreacties
Er werden ernstige huidreacties met systemische symptomen gemeld in de postmarketingervaring met emtricitabine/rilpivirine/tenofovirdisoproxilfumaraat waaronder huiduitslag gepaard met koorts, blaren, conjunctivitis, angio-oedeem, verhoogde leverfunctiewaarden en/of eosinofilie.
Pediatrische patiënten
De veiligheid van emtricitabine + tenofoviralafenamide werd gedurende 48 weken onderzocht in een open‑label klinisch onderzoek (GS‑US‑292‑0106) waarin 50 met hiv‑1 geïnfecteerde, niet eerder behandelde pediatrische patiënten in de leeftijd van 12 tot < 18 jaar emtricitabine + tenofoviralafenamide in combinatie met elvitegravir + cobicistat kregen, als tablet met vaste dosiscombinatie. Bij dit onderzoek bleek het veiligheidsprofiel voor adolescente patiënten vergelijkbaar met dat voor volwassenen (zie rubriek 5.1).
De veiligheidsbeoordeling van rilpivirine is gebaseerd op gegevens uit week 48 uit een single‑arm open‑label onderzoek (TMC278‑C213) van 36 pediatrische patiënten van 12 tot < 18 jaar met gewicht van ten minste 32 kg. Er waren geen patiënten die het gebruik van rilpivirine vanwege bijwerkingen staakten. Er werden geen bijwerkingen geconstateerd die niet reeds bij volwassenen waren waargenomen. De meeste bijwerkingen werden ingedeeld als graad 1 of 2. Bijwerkingen (alle graden) die zich vaak voordeden waren hoofdpijn, depressie, slaperigheid en misselijkheid. Er werden geen afwijkingen van graad 3‑4 in de laboratoriumwaarden voor ASAT/ALAT of bijwerkingen van graad 3‑4 door transaminasetoename gemeld (zie rubriek 5.1).
Andere speciale patiëntgroepen
Patiënten met nierfunctiestoornis
De veiligheid van emtricitabine + tenofoviralafenamide werd gedurende 144 weken onderzocht in een open‑label klinisch onderzoek (GS‑US‑292‑0112), waarin 248 met hiv‑1 geïnfecteerde patiënten die ofwel niet eerder behandeld waren (n = 6) ofwel virologische onderdrukking hadden (n = 242), met een lichte tot matige nierfunctiestoornis (geschatte glomerulaire filtratiesnelheid, berekend volgens de Cockcroft‑Gault‑methode [eGFRCG]: 30‑69 ml/min) emtricitabine + tenofoviralafenamide ontvingen in combinatie met elvitegravir + cobicistat als tablet met vaste dosiscombinatie. Het veiligheidsprofiel voor patiënten met een lichte tot matige nierfunctiestoornis was vergelijkbaar met dat voor patiënten met een normale nierfunctie (zie rubriek 5.1).
De veiligheid van emtricitabine + tenofoviralafenamide werd gedurende 48 weken onderzocht in een open‑label klinisch onderzoek met één groep (GS‑US‑292‑1825) waarin 55 virologisch onderdrukte, met hiv‑1 geïnfecteerde patiënten met een terminale nieraandoening (eGFRCG < 15 ml/min) die chronische hemodialyse ondergingen, emtricitabine + tenofoviralafenamide in combinatie met elvitegravir + cobicistat kregen, als tablet met vaste dosiscombinatie. Er werden geen nieuwe veiligheidsproblemen vastgesteld bij patiënten met een terminale nieraandoening die chronische hemodialyse ondergingen en emtricitabine + tenofoviralafenamide in combinatie met elvitegravir + cobicistat kregen, als tablet met vaste dosiscombinatie (zie rubriek 5.2).
Patiënten met gelijktijdige infectie met hiv en HBV
De veiligheid van emtricitabine + tenofoviralafenamide in combinatie met elvitegravir en cobicistat als tablet met vaste dosiscombinatie (elvitegravir/cobicistat/emtricitabine/tenofoviralafenamide [E/C/F/TAF]), werd onderzocht bij 72 patiënten met een gelijktijdige hiv/HBV‑infectie die tot en met week 48 een behandeling tegen hiv kregen in een open‑label klinisch onderzoek (GS‑US‑292‑1249), waarin patiënten werden overgeschakeld van een ander antiretroviraal regime (waarin TDF bij 69 van de 72 patiënten was opgenomen) op E/C/F/TAF. Op basis van deze beperkte gegevens was het veiligheidsprofiel van emtricitabine + tenofoviralafenamide in combinatie met elvitegravir en cobicistat als tablet met vaste dosiscombinatie bij patiënten met een gelijktijdige hiv/HBV‑infectie vergelijkbaar met dat bij patiënten met alleen een hiv‑1‑infectie.
Bij patiënten met co‑infectie met hepatitis B- of C‑virus die rilpivirine ontvingen, was de incidentie van verhoogde leverenzymen groter dan bij patiënten die rilpivirine ontvingen maar geen co‑infecties hadden. De farmacokinetische blootstelling van rilpivirine bij patiënten met co‑infecties was vergelijkbaar met die van patiënten zonder co‑infectie.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem:
België
Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Afdeling Vigilantie
| Postbus 97 |
Website: www.eenbijwerkingmelden.be
e-mail: adr@fagg.be
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Gilead Sciences Ireland UC
Carrigtohill
County Cork, T45 DP77
Ierland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/16/1112/001
EU/1/16/1112/002
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
02/2023
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 3460755 | ODEFSEY 200MG/ 25MG/ 25MG FILMOMH TABL FL 30 | J05AR19 | € 789,91 | - | Ja | € 2 | € 1 |