SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
REZOLSTA 800 mg/150 mg filmomhulde tabletten
REZOLSTA 675 mg/150 mg filmomhulde tabletten
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
REZOLSTA 800 mg/150 mg filmomhulde tabletten
Elke tablet bevat 800 mg darunavir (als ethanolaat) en 150 mg cobicistat.
REZOLSTA 675 mg/150 mg filmomhulde tabletten
Elke tablet bevat 675 mg darunavir (als ethanolaat) en 150 mg cobicistat.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tablet (tablet).
REZOLSTA 800 mg/150 mg filmomhulde tabletten
Roze, ovale tablet van 23 mm x 11,5 mm, waarop aan de ene kant ‘800’ en op de andere kant ‘TG’ is aangebracht.
REZOLSTA 675 mg/150 mg filmomhulde tabletten
Groene tot donkergroene, ovale tablet met breukgleuf van 21 mm x 10 mm, waarop aan de ene kant ‘675’ en op de andere kant ‘TG’ is aangebracht.
De breukgleuf is alleen om het breken te vereenvoudigen zodat het inslikken makkelijker gaat en niet om de tablet in gelijke doses te verdelen.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
REZOLSTA is, in combinatie met andere antiretrovirale geneesmiddelen, geïndiceerd voor de behandeling van infecties met het humaan immunodeficiëntievirus‑1 (hiv‑1) bij volwassenen en pediatrische patiënten (van 6 jaar en ouder met een gewicht van minimaal 25 kg).
Het gebruik van REZOLSTA dient te worden geleid door onderzoek van het genotype (zie rubrieken 4.2, 4.4 en 5.1).
4.2 Dosering en wijze van toediening
De therapie moet worden ingesteld door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg met ervaring in de behandeling van hiv‑infecties.
Dosering
Volwassenen en pediatrische patiënten met een gewicht van minimaal 40 kg
ART‑naïeve patiënten
Het aanbevolen doseringsschema is één tablet 800 mg darunavir/150 mg cobicistat, eenmaal daags in te nemen met voedsel.
ART‑voorbehandelde patiënten
Eén tablet 800 mg darunavir/150 mg cobicistat, eenmaal daags ingenomen met voedsel, kan worden gebruikt bij patiënten die eerder blootgesteld zijn aan antiretrovirale geneesmiddelen, maar die geen met darunavir‑resistentie geassocieerde mutaties (DRV‑RAM’s)* hebben en die in het plasma < 100.000 kopieën hiv‑1‑RNA per ml hebben en ≥ 100 x 106 CD4+‑cellen/l (zie rubriek 4.1).
* DRV‑RAM’s: V11I, V32I, L33F, I47V, I50V, I54M, I54L, T74P, L76V, I84V, L89V.
Pediatrische patiënten van 6 jaar en ouder met een gewicht van minimaal 25 kg en minder dan 40 kg
ART‑naïeve pediatrische patiënten
Het aanbevolen doseringsschema is één tablet 675 mg darunavir/150 mg cobicistat, eenmaal daags in te nemen met voedsel.
ART‑voorbehandelde pediatrische patiënten
Eén tablet 675 mg darunavir/150 mg cobicistat, eenmaal daags ingenomen met voedsel, kan worden gebruikt bij patiënten die eerder blootgesteld zijn aan antiretrovirale geneesmiddelen, maar die geen DRV‑RAM’s* hebben en die in het plasma < 100.000 kopieën hiv‑1‑RNA per ml en ≥ 100 x 106 CD4+‑cellen/l hebben (zie rubriek 4.1).
* DRV‑RAM’s: V11I, V32I, L33F, I47V, I50V, I54M, I54L, T74P, L76V, I84V, L89V.
Bij alle andere ART‑voorbehandelde patiënten of als een test op hiv‑1‑genotype niet beschikbaar is, is het gebruik van REZOLSTA niet geschikt en dient een ander antiretroviraal schema te worden gebruikt. Zie de Samenvatting van de Productkenmerken van andere antiretrovirale geneesmiddelen voor de doseringsinformatie.
Advies over gemiste doses
Als het vergeten van REZOLSTA wordt opgemerkt binnen 12 uur na het normale tijdstip van inname, moet de patiënt de voorgeschreven dosis zo snel mogelijk met voedsel innemen. Als de vergeten dosis later dan 12 uur na het normale tijdstip van inname wordt opgemerkt, moet de gemiste dosis niet meer worden ingenomen en moet de patiënt verder het normale doseringsschema blijven volgen.
Als een patiënt binnen 4 uur na het innemen van het geneesmiddel braakt, dient zo snel mogelijk een nieuwe dosis REZOLSTA met voedsel te worden ingenomen. Als een patiënt meer dan 4 uur na het innemen van het geneesmiddel braakt, hoeft de patiënt geen nieuwe dosis in te nemen tot het volgende normaal geplande tijdstip van inname.
Speciale populaties
Ouderen
Er zijn slechts beperkte gegevens bij deze populatie beschikbaar en derhalve dient REZOLSTA bij patiënten ouder dan 65 jaar met voorzichtigheid te worden gebruikt (zie rubrieken 4.4 en 5.2).
Leverinsufficiëntie
Er zijn geen farmacokinetische gegevens over het gebruik van REZOLSTA bij patiënten met leverinsufficiëntie.
Darunavir en cobicistat worden gemetaboliseerd door het leversysteem. Afzonderlijke studies met darunavir/ritonavir en cobicistat suggereren geen aanbevelingen voor dosisaanpassing bij patiënten met lichte (Child‑Pugh-klasse A) of matig-ernstige (Child‑Pugh‑klasse B) leverinsufficiëntie, maar REZOLSTA moet bij deze patiënten met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt.
Er zijn geen gegevens over het gebruik van darunavir of cobicistat bij patiënten met ernstige leverinsufficiëntie. Ernstige leverinsufficiëntie kan leiden tot een verhoogde blootstelling aan darunavir en/of cobicistat en een verslechtering van het veiligheidsprofiel. Daarom mag REZOLSTA niet gebruikt worden bij patiënten met ernstige leverinsufficiëntie (Child‑Pugh-klasse C) (zie rubrieken 4.3, 4.4 en 5.2).
Nierinsufficiëntie
Van cobicistat is aangetoond dat het de geschatte creatinineklaring vermindert door remming van de tubulaire secretie van creatinine. REZOLSTA mag niet worden gestart bij patiënten met een creatinineklaring van minder dan 70 ml/min indien voor een gelijktijdig toegediend geneesmiddel (bijv. emtricitabine, lamivudine, tenofovirdisoproxil (als fumaraat, fosfaat of succinaat) of adefovirdipivoxil) op basis van de creatinineklaring een dosisaanpassing vereist is (zie rubrieken 4.4, 4.8 en 5.2).
Op basis van de zeer beperkte renale eliminatie van cobicistat en darunavir zijn er voor REZOLSTA geen speciale voorzorgsmaatregelen of dosisaanpassingen nodig bij patiënten met nierinsufficiëntie. Darunavir, cobicistat of de combinatie van beide zijn niet onderzocht bij patiënten die dialyse ondergaan en daarom kan voor deze patiënten geen aanbeveling worden gedaan (zie rubriek 5.2).
Raadpleeg de Samenvatting van de Productkenmerken van cobicistat voor meer informatie.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van darunavir in combinatie met cobicistat bij kinderen in de leeftijd van 3 tot < 6 jaar of met een gewicht < 25 kg zijn niet vastgesteld. Er zijn nog geen gegevens beschikbaar. Darunavir in combinatie met cobicistat mag niet worden gebruikt bij kinderen jonger dan 3 jaar wegens bezorgdheden rond de veiligheid die te maken hebben met toxiciteit en sterfte waargenomen bij juveniele ratten die darunavir kregen tot een leeftijd van 23 tot 26 dagen (zie rubriek 5.3).
Zwangerschap en postpartum
Behandeling met darunavir/cobicistat 800/150 mg tijdens de zwangerschap resulteert in een lage blootstelling aan darunavir (zie rubrieken 4.4 en 5.2). Daarom dient deze combinatie niet te worden ingesteld tijdens de zwangerschap en moeten vrouwen die zwanger worden tijdens therapie met REZOLSTA overstappen naar een alternatief regime (zie rubrieken 4.4 en 4.6). Darunavir/ritonavir kan worden overwogen als alternatief.
Wijze van toediening
Oraal gebruik
Om zeker te zijn van toediening van de volledige dosis van zowel darunavir als cobicistat, dient de tablet in zijn geheel te worden doorgeslikt.
Patiënten dienen de instructie te krijgen REZOLSTA in te nemen binnen 30 minuten na een maaltijd (zie rubrieken 4.5 en 5.2).
Volwassenen en pediatrische patiënten met een gewicht van minimaal 40 kg
Voor patiënten die de tablet van 800 mg/150 mg niet in zijn geheel kunnen doorslikken, kan de tablet in twee delen worden verdeeld met een tablettensnijder. Elk deel dient direct na het snijden te worden ingenomen om ervoor te zorgen dat de hele dosis wordt toegediend.
Pediatrische patiënten van 6 jaar en ouder met een gewicht van minimaal 25 kg en minder dan 40 kg
Voor patiënten die de tablet van 675 mg/150 mg niet in zijn geheel kunnen doorslikken, kan de tablet met breukgleuf met de hand in twee delen worden verdeeld. Elk deel dient direct na het breken te worden ingenomen om ervoor te zorgen dat de hele dosis wordt toegediend.
4.3 Contra‑indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Patiënten met ernstige leverinsufficiëntie (Child‑Pugh-klasse C).
Gelijktijdige toediening met sterke CYP3A-inducerende middelen zoals de hieronder opgesomde geneesmiddelen vanwege het mogelijke verlies van therapeutisch effect (zie rubriek 4.5):
- carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne
- rifampicine
- lopinavir/ritonavir
- sint‑janskruid (Hypericum perforatum)
Gelijktijdige toediening met geneesmiddelen zoals de hieronder opgesomde middelen vanwege de mogelijkheid van ernstige en/of levensbedreigende bijwerkingen (zie rubriek 4.5):
- alfuzosine
- amiodaron, bepridil, dronedaron, ivabradine, kinidine, ranolazine
- astemizol, terfenadine
- colchicine indien gebruikt bij patiënten met nier‑ en/of leverinsufficiëntie (zie rubriek 4.5)
- rifampicine
- ergotalkaloïden (bijv. dihydro‑ergotamine, ergometrine, ergotamine, methylergonovine)
- cisapride
- dapoxetine
- domperidon
- naloxegol
- lurasidon, pimozide, quetiapine, sertindol (zie rubriek 4.5)
- elbasvir/grazoprevir
- triazolam, oraal toegediend midazolam (voor voorzichtigheid met betrekking tot parenteraal toegediend midazolam, zie rubriek 4.5)
- sildenafil indien gebruikt voor de behandeling van pulmonale arteriële hypertensie, avanafil
- simvastatine, lovastatine en lomitapide (zie rubriek 4.5)
- ticagrelor
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
Het algehele veiligheidsprofiel van REZOLSTA is gebaseerd op de beschikbare gegevens uit klinische studies over darunavir geboost met ofwel cobicistat ofwel ritonavir, over cobicistat en over post‑marketinggegevens van darunavir/ritonavir.
Aangezien REZOLSTA darunavir en cobicistat bevat, kunnen de bijwerkingen die met elk van deze stoffen afzonderlijk gerelateerd zijn, verwacht worden.
De bijwerkingen die het vaakst werden gemeld in de gepoolde gegevens van de fase III-studie GS-US-216-130 en de REZOLSTA-arm van de fase III-studie TMC114FD2HTX3001 waren diarree (23%), nausea (17%), rash (13%) en hoofdpijn (10%). Ernstige bijwerkingen waren diabetes mellitus, overgevoeligheid (voor het geneesmiddel), immuunreconstitutie‑ontstekingssyndroom, rash, stevens-johnsonsyndroom en braken. Al deze ernstige bijwerkingen traden op bij 1 persoon (0,1%), met uitzondering van rash dat optrad bij 4 personen (0,6%).
De meest voorkomende bijwerkingen die tijdens het klinische ontwikkelingsprogramma met darunavir/ritonavir werden gemeld en die spontaan werden gemeld zijn diarree, nausea, rash, hoofdpijn en braken. De meest voorkomende ernstige bijwerkingen zijn acuut nierfalen, myocardinfarct, immuunreconstitutie‑ontstekingssyndroom, trombocytopenie, osteonecrose, diarree, hepatitis en pyrexie.
In de analyse na 96 weken was het veiligheidsprofiel van darunavir/ritonavir 800/100 mg eenmaal daags bij therapienaïeve personen vergelijkbaar met dat waargenomen met darunavir/ritonavir 600/100 mg tweemaal daags bij personen die al eerder waren behandeld, met uitzondering van nausea, hetgeen bij therapienaïeve personen vaker werd waargenomen. Dit betrof voornamelijk nausea met lichte intensiteit.
Lijst van bijwerkingen in tabelvorm
Bijwerkingen zijn in tabel 2 aangegeven per systeem/orgaanklasse en frequentiecategorie. Binnen elke frequentiecategorie zijn de bijwerkingen aangegeven in afnemende orde van ernst. De frequentiecategorieën zijn als volgt gedefinieerd: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100 tot < 1/10), soms (≥ 1/1.000 tot < 1/100), zelden (≥ 1/10.000 tot < 1/1.000) en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Tabel 2 Bijwerkingen met darunavir/cobicistat bij volwassen patiënten | ||
MedDRA systeem/orgaanklasse | Bijwerking | |
Immuunsysteemaandoeningen | ||
vaak | (geneesmiddel)overgevoeligheid | |
soms | immuunreconstitutie‑ontstekingssyndroom | |
Voedings‑ en stofwisselingsstoornissen | ||
vaak | anorexie, hypercholesterolemie, hypertriglyceridemie | |
soms | diabetes mellitus, dyslipidemie, hyperglykemie, hyperlipidemie | |
Psychische stoornissen | ||
vaak | abnormale dromen | |
Zenuwstelselaandoeningen | ||
zeer vaak | hoofdpijn | |
Maagdarmstelselaandoeningen | ||
zeer vaak | diarree, nausea | |
vaak | braken, abdominale pijn, abdominale distensie, dyspepsie, flatulentie | |
soms | acute pancreatitis, pancreasenzymen verhoogd | |
Lever‑ en galaandoeningen | ||
vaak | leverenzym verhoogd | |
soms | hepatitis*, cytolytische hepatitis* | |
Huid‑ en onderhuidaandoeningen | ||
zeer vaak | Rash (waaronder maculaire, maculopapulaire, papulaire, erythemateuze, jeukende rash, gegeneraliseerde rash en allergische dermatitis) | |
vaak | pruritus | |
soms | stevens-johnsonsyndroom#, angio-oedeem, urticaria | |
zelden | reactie op het geneesmiddel met eosinofilie en systemische symptomen* | |
niet bekend | toxische epidermale necrolyse*, acuut gegeneraliseerd pustuleus exantheem* | |
Skeletspierstelsel‑ en bindweefselaandoeningen | ||
vaak | myalgie | |
soms | osteonecrose* | |
Nier‑ en urinewegaandoeningen | ||
zelden | kristal-nefropathie*§ | |
Voortplantingsstelsel‑ en borstaandoeningen | ||
soms | gynecomastie* | |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | ||
vaak | vermoeidheid, asthenie | |
Onderzoeken | ||
vaak | bloedcreatinine verhoogd | |
* Deze bijwerkingen zijn niet gemeld in klinisch onderzoek met darunavir/cobicistat, maar zijn opgemerkt tijdens behandeling met darunavir/ritonavir en zouden ook met darunavir/cobicistat kunnen worden verwacht. | ||
# Als ook gegevens uit de klinische studie van DRV/COBI/emtricitabine/tenofovir alafenamide in aanmerking worden genomen, trad stevens-johnsonsyndroom zelden op (bij 1 op de 2.551 proefpersonen), consistent met het klinisch onderzoeksprogramma met DRV/rtv (zie Ernstige huidreacties in rubriek 4.4). | ||
Beschrijving van enkele specifieke bijwerkingen
Rash
Rash was in klinische studies met darunavir/ritonavir en met darunavir/cobicistat meestal licht tot matig-ernstig, trad vaak op binnen de eerste vier behandelweken en verdween bij voortzetting van de inname (zie rubriek 4.4). De gepoolde gegevens van een eenarmige studie waarin darunavir 800 mg eenmaal daags in combinatie met cobicistat 150 mg eenmaal daags en andere antiretrovirale middelen werd onderzocht en één arm van een studie waarin REZOLSTA 800/150 mg eenmaal daags en andere antiretrovirale middelen werden toegediend, lieten zien dat 1,9% van de patiënten met de behandeling stopte vanwege rash.
Metabole parameters
Het gewicht en de serumlipiden- en bloedglucosespiegels kunnen toenemen tijdens antiretrovirale behandeling (zie rubriek 4.4).
Afwijkingen in het bewegingsapparaat
Een toename van CPK, myalgie, myositis en, in zeldzame gevallen, rabdomyolyse, zijn gemeld bij gebruik van hiv‑proteaseremmers, vooral in combinatie met NRTI’s.
Gevallen van osteonecrose zijn gemeld, vooral bij patiënten met algemeen bekende risicofactoren, een gevorderde hiv‑ziekte of langdurige blootstelling aan een antiretrovirale combinatietherapie (ARCT). De frequentie hiervan is niet bekend (zie rubriek 4.4).
Immuunreconstitutie‑ontstekingssyndroom
Bij hiv‑patiënten met ernstige immuundeficiëntie kan bij de start van de antiretrovirale combinatietherapie (ARCT) een ontstekingsreactie optreden tegen asymptomatische of residuele opportunistische infecties. Auto‑immuunziekten (zoals de ziekte van Graves en auto‑immuunhepatitis) zijn ook gerapporteerd; de gerapporteerde tijd tot het begin van de ziekte is echter variabeler en deze bijwerkingen kunnen vele maanden na het starten van de behandeling optreden (zie rubriek 4.4).
Bloedingen bij hemofiliepatiënten
Er zijn meldingen geweest van toegenomen spontane bloeding bij hemofiliepatiënten die antiretrovirale proteaseremmers kregen (zie rubriek 4.4).
Verlaging van de geschatte creatinineklaring
Het is aangetoond dat cobicistat de geschatte creatinineklaring vermindert door remming van tubulaire secretie van creatinine in de nieren. Een toename van serumcreatinine als gevolg van het remmende effect van cobicistat is over het algemeen niet hoger dan 0,4 mg/dl.
Het effect van cobicistat op het serumcreatinine werd onderzocht in een fase I‑studie bij personen met een normale nierfunctie (eGFR ≥ 80 ml/min, N = 12) en lichte tot matig-ernstige nierinsufficiëntie (eGFR: 50‑79 ml/min, N = 18). De verandering van de geschatte glomerulaire filtratiesnelheid (eGFR), berekend met de Cockcroft‑Gault-methode (eGRFCG) ten opzichte van baseline werd bij personen met een normale nierfunctie (‑9,9 ± 13,1 ml/min) en bij personen met een lichte tot matig-ernstige nierinsufficiëntie (‑11,9 ± 7,0 ml/min) waargenomen binnen 7 dagen na het begin van de behandeling met cobicistat 150 mg. Deze afnames in de eGFRCG waren reversibel nadat cobicistat was beëindigd en hadden geen effect op de werkelijke glomerulaire filtratiesnelheid, zoals vastgesteld aan de hand van de klaring van het markergeneesmiddel iohexol.
In de eenarmige fase III‑studie (GS‑US‑216‑0130) werd een afname in de eGFRCG opgemerkt in week 2, waarna die stabiel bleef tot en met week 48. De gemiddelde verandering in eGFRCG ten opzichte van baseline was –9,6 ml/min in week 2 en –9,6 ml/min in week 48. In de REZOLSTA-arm van fase III-studie TMC114FD2HTX3001 was de gemiddelde verandering in de eGFRCG in week 48 ten opzichte van baseline -11,1 ml/min en de gemiddelde verandering in de eGFRcystatin C in week 48 ten opzichte van baseline was +2,9 ml/min/1,73 m².
Raadpleeg voor meer informatie de Samenvatting van de Productkenmerken van cobicistat.
Pediatrische patiënten
De veiligheid van darunavir in combinatie met cobicistat werd in de klinische studie GS‑US‑216‑0128 onderzocht bij adolescenten van 12 tot minder dan 18 jaar met een gewicht van minimaal 40 kg met virale suppressie (cohort 1, N = 7) en bij kinderen in de leeftijd van 6 tot minder dan 12 jaar met een gewicht van minimaal 25 kg (cohort 2, N = 8). Veiligheidsanalyses van deze studie bij een beperkt aantal adolescenten en kinderen met een leeftijd van minstens 6 jaar brachten geen nieuwe veiligheidsproblemen aan het licht in vergelijking met het reeds bekende bijwerkingenprofiel bij volwassenen.
Andere bijzondere populaties
Patiënten die eveneens geïnfecteerd zijn met het hepatitis B‑ en/of het hepatitis C‑virus
Er is beperkt informatie beschikbaar over het gebruik van REZOLSTA bij patiënten die tevens geïnfecteerd zijn met het hepatitis B‑ en/of het hepatitis C‑virus. Van de 1.968 voorbehandelde patiënten die darunavir samen toegediend kregen met ritonavir (600/100 mg tweemaal daags), hadden 236 patiënten tevens een hepatitis B‑ of C‑infectie. Patiënten met dergelijke co‑infecties hadden zowel bij het begin van het onderzoek als na het starten met de medicatie een grotere kans op verhoogde spiegels van levertransaminase dan patiënten zonder chronische virale hepatitis (zie rubriek 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via:
België
Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
www.fagg.be
Afdeling Vigilantie
Website: www.eenbijwerkingmelden.be
E-mail: adr@fagg-afmps.be
Nederland
Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb
Website: www.lareb.nl
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Janssen‑Cilag International NV
Turnhoutseweg 30
B‑2340 Beerse
België
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
800 mg/150 mg REZOLSTA: EU/1/14/967/001
675 mg/150 mg REZOLSTA: EU/1/14/967/002
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
18/07/2025
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (https://www.ema.europa.eu).
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 3197357 | REZOLSTA 800MG/150MG FILMOMH TABL 30 | J05AR14 | € 403,52 | - | Ja | € 2 | € 1 |