1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
ORENCIA 50 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
ORENCIA 87,5 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
ORENCIA 125 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
2 KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
ORENCIA 50 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
Elke voorgevulde spuit bevat 50 mg abatacept in 0,4 ml.
ORENCIA 87,5 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
Elke voorgevulde spuit bevat 87,5 mg abatacept in 0,7 ml.
ORENCIA 125 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
Elke voorgevulde spuit bevat 125 mg abatacept in één ml.
Abatacept is een fusie-eiwit verkregen door recombinant DNA technologie uit ovariumcellen van Chinese hamsters.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie (injectie).
De oplossing is helder, kleurloos tot lichtgeel met een pH van 6,8 tot 7,4.
4 KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Reumatoïde artritis
ORENCIA in combinatie met methotrexaat is geïndiceerd voor:
- de behandeling van matig-ernstige tot ernstige reumatoïde artritis (RA) bij volwassen patiënten met onvoldoende respons op eerdere therapie met één of meer Disease‑Modifying Anti‑Rheumatic Drugs (DMARD's) inclusief methotrexaat (MTX) of een tumornecrosefactor (TNF)‑alfa‑remmer.
- de behandeling van hoog actieve en progressieve ziekte bij volwassen patiënten met reumatoïde artritis die niet eerder behandeld zijn met methotrexaat.
Een reductie in de progressie van gewrichtsschade en verbetering van fysieke functies zijn aangetoond tijdens gecombineerd gebruik van abatacept en methotrexaat.
Artritis psoriatica
ORENCIA, alleen of in combinatie met methotrexaat, is geïndiceerd voor de behandeling van actieve artritis psoriatica (PsA) bij volwassen patiënten wanneer de respons op eerdere DMARD‑behandeling inclusief MTX onvoldoende was en voor wie extra systemische therapie voor psoriatische huidletsels niet vereist is.
Polyarticulaire juveniele idiopathische artritis
ORENCIA in combinatie met methotrexaat is geïndiceerd voor de behandeling van matige tot ernstige actieve polyarticulaire juveniele idiopathische artritis (pJIA) bij jonge patiënten van 2 jaar en ouder met een ontoereikende respons op eerdere DMARD behandeling.
ORENCIA kan als monotherapie worden gegeven in geval van intolerantie voor methotrexaat of wanneer behandeling met methotrexaat ongeschikt is.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Behandeling dient te worden begonnen en onder toezicht plaats te vinden van artsen gespecialiseerd in de diagnosticering en behandeling van reumatoïde artritis.
Indien er geen respons op abatacept is binnen een behandelduur van 6 maanden, dient voortzetting van de therapie heroverwogen te worden (zie rubriek 5.1).
Dosering
Reumatoïde artritis
Volwassenen
Subcutaan (s.c.) toegediende Orencia kan zowel met als zonder een intraveneuze oplaaddosis (i.v.) worden gestart. Orencia s.c. dient wekelijks in een dosis van 125 mg abatacept te worden toegediend door middel van subcutane injectie, onafhankelijk van het gewicht (zie rubriek 5.1). Als een enkelvoudige i.v. infusie wordt gegeven om de behandeling te starten (i.v. oplaaddosis voorafgaand aan s.c. toediening), dient de eerste subcutane injectie van 125 mg abatacept te worden toegediend binnen een dag na de i.v. infusie, gevolgd door de wekelijkse 125 mg abatacept s.c. injecties (voor de dosering van de intraveneuze oplaaddosis wordt verwezen naar punt 4.2 van ORENCIA 250 mg poeder voor concentraat voor oplossing voor infusie).
Patiënten die switchen van intraveneuze behandeling met abatacept naar subcutane toediening, dienen de eerste dosis subcutaan toe te dienen in plaats van de eerstvolgende geplande intraveneuze toediening.
Geen doseringscorrectie is nodig bij gelijktijdig gebruik van andere DMARD's, corticosteroïden, salicylaten, niet-steroïde ontstekingsremmers (NSAID’s) of pijnstillers.
Artritis psoriatica
Volwassenen
ORENCIA moet wekelijks worden toegediend bij een dosis van 125 mg door subcutane (SC) injectie zonder dat er een intraveneuze (IV) oplaaddosis nodig is.
Patiënten die van intraveneuze ORENCIA behandeling naar subcutane toediening overschakelen, dienen de eerste subcutane dosis te geven in plaats van de volgende geplande intraveneuze dosis.
Pediatrische patiënten
Polyarticulaire juveniele idiopathische artritis
De aanbevolen wekelijkse dosering van ORENCIA oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit voor patiënten van 2 tot 17 jaar oud met polyarticulaire juveniele idiopathische artritis dient te worden begonnen zonder intraveneuze oplaaddosis. Bij toediening dient gebruik gemaakt te worden van de dosering gebaseerd op gewicht, zoals gespecificeerd in onderstaande tabel.
Tabel 1: Wekelijkse dosering van ORENCIA
Lichaamsgewicht van de patiënt | Dosering |
10 kg tot minder dan 25 kg | 50 mg |
25 kg tot minder dan 50 kg | 87,5 mg |
50 kg of meer | 125 mg |
Patiënten die switchen van intraveneuze behandeling met abatacept naar subcutane toediening dienen de eerste dosis subcutaan toe te dienen in plaats van de eerstvolgende geplande intraveneuze toediening.
ORENCIA poeder voor concentraat voor oplossing voor infusie voor intraveneuze toediening is beschikbaar voor pediatrische patiënten van 6 jaar en ouder voor de behandeling van pJIA (zie de samenvatting van productkenmerken van ORENCIA poeder voor concentraat voor oplossing voor infusie).
Gemiste dosis
Als een patiënt een injectie van abatacept heeft gemist en het nog binnen 3 dagen na de geplande datum is, moet hij/zij geïnstrueerd worden om onmiddellijk de gemiste dosis toe te dienen en zich verder aan het oorspronkelijke wekelijkse schema te houden. Als de gemiste dosis na meer dan drie dagen wordt opgemerkt, dient de patiënt geadviseerd te worden over wanneer hij/zij de volgende dosis moet nemen, op basis van medische beoordeling (conditie van de patiënt, status van ziekteactiviteit, etc.).
Speciale patiëntengroepen
Oudere patiënten
Een doseringsaanpassing is niet nodig (zie rubriek 4.4).
Nier- en leverfunctiestoornissen
ORENCIA is niet onderzocht in deze patiëntenpopulatie. Er kunnen geen doseringsadviezen worden gegeven.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van ORENCIA bij kinderen jonger dan 2 jaar zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.
Er is geen relevante toediening van ORENCIA bij kinderen jonger dan 2 jaar.
Wijze van toediening
Voor subcutane toediening.
ORENCIA is bestemd voor gebruik onder begeleiding van een medische beroepsbeoefenaar. Na de benodigde training in de subcutane toedieningstechniek, kan een patiënt of zorgverlener injecteren met ORENCIA indien een arts of andere medische beroepsbeoefenaar heeft bepaald dat dat kan.
De totale inhoud van de voorgevulde spuit dient alleen als subcutane injectie te worden toegediend. Injectieplaatsen moeten afgewisseld worden en injecties mogen nooit toegediend worden op plaatsen waar de huid gevoelig, gekneusd, rood of hard is.
Uitgebreide instructies voor het voorbereiden en toedienen van ORENCIA in een voorgevulde pen worden gegeven in de bijsluiter en "Belangrijke instructies voor gebruik".
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor het werkzame bestanddeel of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Ernstige en onbeheersbare infecties zoals sepsis en opportunistische infecties (zie rubriek 4.4).
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel bij reumatoïde artritis
Abatacept is onderzocht bij patiënten met actieve reumatoïde artritis in placebogecontroleerde klinische onderzoeken (2.653 patiënten met abatacept, 1.485 met placebo).
In placebogecontroleerde klinische onderzoeken met abatacept werden bijwerkingen gemeld bij 49,4% van de met abatacept behandelde patiënten en bij 45,8% in de placebogroep. De frequentst gemelde bijwerkingen (≥ 5%) bij de met abatacept behandelde patiënten waren hoofdpijn, misselijkheid en bovenste luchtweginfecties (inclusief sinusitis). Het deel van de patiënten dat stopte met de behandeling in verband met bijwerkingen was 3,0% voor de met abatacept behandelde patiënten en 2,0% voor de placebogroep.
Lijst met bijwerkingen in tabelvorm
In tabel 2 zijn de bijwerkingen, waargenomen in klinische studies en postmarketingervaring, weergegeven per systeem/orgaanklasse en frequentie waarbij de volgende categorieën zijn gebruikt: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10), soms (≥ 1/1.000, < 1/100), zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000). Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.
Tabel 2: Bijwerkingen
Infecties en parasitaire aandoeningen | Zeer Vaak | Bovenste luchtweginfectie (waaronder tracheïtis, nasopharyngitis en sinusitis) |
| Vaak | Infectie van de onderste luchtwegen (waaronder bronchitis), urineweginfectie, herpes infecties (waaronder herpes simplex, orale herpes en herpes zoster), pneumonie, influenza |
| Soms | Tandinfectie, onychomycose, sepsis, skeletspierstelselinfecties, huidabces, pyelonefritis, rhinitis, oorinfectie |
| Zelden | Tuberculose, bacteriëmie, gastro-intestinale infectie, bekkenontstekingsziekte |
|
|
|
Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen) | Soms | Basaalcelcarcinoom, huidpapilloom |
Zelden | Lymfoom, maligne longneoplasma, plaveiselcelcarcinoom | |
|
|
|
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Soms | Trombocytopenie, leukopenie |
|
|
|
Immuunsysteemaandoeningen | Soms | Overgevoeligheid |
|
|
|
Psychische stoornissen | Soms | Depressie, angst, slaapstoornis (inclusief slapeloosheid) |
|
|
|
Zenuwstelselaandoeningen | Vaak | Hoofdpijn, duizeligheid |
| Soms | Migraine, paresthesieën |
|
|
|
Oogaandoeningen | Soms | Conjuctivitis, droge ogen, verminderde gezichtsscherpte |
|
|
|
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | Soms | Duizeligheid |
|
|
|
Hartaandoeningen | Soms | Palpitaties, tachycardie, bradycardie |
|
|
|
Bloedvataandoeningen | Vaak | Hypertensie, verhoogde bloeddruk |
| Soms | Hypotensie, opvliegers, blozen, vasculitis, verlaagde bloeddruk |
|
|
|
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | Vaak | Hoest |
Soms | Exacerbatie chronische aspecifieke respiratoire aandoening, bronchospasme, piepen, dyspneu, keelbeklemming | |
|
|
|
Maagdarmstelselaandoeningen | Vaak | Buikpijn, diarree, misselijkheid, dyspepsie, mondulceratie, afteuze stomatitis, braken |
| Soms | Gastritis |
|
|
|
Lever- en galaandoeningen | Vaak | Leverfunctietest abnormaal (waaronder verhoogde transaminases) |
|
|
|
Huid- en onderhuidaandoeningen | Vaak | Uitslag (inclusief dermatitis) |
Soms | Verhoogde kans op bloeduitstortingen, droge huid, alopecia, pruritus, urticaria, psoriasis, acne, erytheem, hyperhidrose | |
|
|
|
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | Soms | Artralgie, pijn in de extremiteiten |
|
|
|
Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen | Soms | Amenorroe, menorragie |
|
|
|
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Vaak | Vermoeidheid, asthenie, lokale reacties op de injectieplaats, systemische reacties op de injectie* |
Soms | Influenza-achtige symptomen, gewichtstoename | |
|
|
|
*(bijv. pruritus, beklemmend gevoel in de keel, dyspneu)
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Infecties
In placebogecontroleerde klinische onderzoeken met abatacept zijn infecties gemeld die mogelijk gerelateerd waren aan de behandeling bij 22,7% van de met abatacept behandelde patiënten en 20,5% bij de placebogroep.
Ernstige infecties die mogelijk gerelateerd waren aan de behandeling werden gemeld bij 1,5% van de met abatacept behandelde patiënten; dit was 1,1% bij de placebogroep. Het type ernstige infecties was vergelijkbaar tussen de abatacept- en placebobehandelgroepen (zie rubriek 4.4).
In de dubbelblinde onderzoeken was de incidentie (95% BI) van ernstige infecties 3,0 (2,3, 3,8) per 100 patiëntjaren bij met abatacept behandelde patiënten en 2,3 (1,5, 3,3) per 100 patiëntjaren bij met placebo behandelde patiënten.
In de cumulatieve periode in de klinische onderzoeken bij 7.044 patiënten behandeld met abatacept gedurende 20.510 patiëntjaren bedroeg de incidentie van ernstige infecties 2,4 per 100 patiëntjaren en de geannualiseerde incidentie bleef stabiel.
Maligniteiten
In placebogecontroleerde klinische onderzoeken werden maligniteiten gemeld bij 1,2% (31/2.653) van de met abatacept behandelde patiënten en bij 0,9% (14/1.485) van de met placebo behandelde patiënten. De incidentie van maligniteiten was 1,3 (0,9, 1,9) per 100 patiëntjaren bij met abatacept behandelde patiënten en 1,1 (0,6, 1,9) per 100 patiëntjaren bij met placebo behandelde patiënten.
In de cumulatieve periode bij 7.044 met abatacept behandelde patiënten gedurende 21.011 patiëntjaren (waarvan meer dan 1.000 langer dan 5 jaar behandeld waren met abatacept), was de incidentie van maligniteiten 1,2 (1,1, 1,4) per 100 patiëntjaren en de geannualiseerde incidenties bleven stabiel.
De meest voorkomende vorm van maligniteiten in de placebogecontroleerde klinische onderzoeken was niet‑melanome huidkanker; 0,6 (0,3, 1,0) per 100 patiëntjaren bij de met abatacept behandelde patiënten en 0,4 (0,1, 0,9) per 100 patiëntjaar bij de met placebo behandelde patiënten en 0,5 (0,4, 0,6) per 100 patiëntjaren in de cumulatieve periode.
De meest voorkomende vorm van orgaantumoren in de placebogecontroleerde klinische onderzoeken was longkanker; 0,17 (0,05, 0,43) per 100 patiëntjaren bij de met abatacept behandelde patiënten, 0 voor met placebo behandelde patiënten en 0,12 (0,08, 0,17) per 100 patiëntjaren in de cumulatieve periode. De meest voorkomende hematologische maligniteiten waren lymfomen; 0,04 (0, 0,24) per 100 patiëntjaren bij met abatacept behandelde patiënten, 0 bij met placebo behandelde patiënten en 0,06 (0,03, 0,1) per 100 patiëntjaren in de cumulatieve periode.
In registeronderzoek in Denemarken en Zweden werd een hoger risico op niet‑melanome huidkanker gemeld bij patiënten met reumatoïde artritis die behandeld werden met abatacept vergeleken met andere DMARD's. In Denemarken waren de gestandaardiseerde incidentiecijfers voor basaalcelcarcinoom (BCC) en plaveiselcelcarcinoom (SCC) van patiënten die werden behandeld met abatacept (n = 1280) 0,86/100 patiëntjaren (95% BI 0,66‑1,11) en 0,21/100 patiëntjaren (95% BI 0,12‑0,36) en was de hazard ratio (HR) – met inachtneming van leeftijd, geslacht en medische geschiedenis voor BCC en SCC – bij patiënten die werden behandeld met abatacept 1,49 (95% BI 1,07‑2,09) en 2,49 (1,26‑4,91) in vergelijking tot doelgerichte DMARD's (n = 9256). In Zweedse gegevens waren de incidentiecijfers van patiënten die werden behandeld met abatacept (n = 5052) 1,13/100 patiëntjaren (95% BI 1,01‑1,26) en 0,38/100 patiëntjaren (95% BI 0,32‑0,46) voor BCC en SCC, en de bijbehorende gecorrigeerde HR's waren 1,11 (95% BI 0,98‑1,25) en 1,61 (95% BI 1,29‑1,99) bij patiënten die werden behandeld met abatacept in vergelijking tot patiënten die werden behandeld met biologische/doelgerichte DMARD's (n = 43096). Met abatacept behandelde patiënten hadden meestal ernstigere reumatoïde artritis en een hogere comorbiditeitslast bij baseline. In deze registergegevens is geen verhoogd risico gevonden voor andere maligniteiten.
Bijwerkingen bij patiënten met chronic obstructive pulmonary disease (COPD)
In onderzoek IV werden 37 patiënten met COPD behandeld met intraveneus abatacept en 17 met placebo. De COPD‑patiënten behandeld met abatacept hadden vaker bijwerkingen dan de placebogroep (respectievelijk 51,4% vs. 47,1%). Respiratoire aandoeningen kwamen vaker voor bij de met abatacept behandelde patiënten dan in de placebogroep (respectievelijk 10,8% vs. 5,9%); deze aandoeningen betroffen onder meer exacerbaties van de COPD-klachten en dyspneu. Vergeleken met COPD‑patiënten in de placebogroep ontwikkelde een hoger percentage met abatacept behandelde COPD‑patiënten ernstige bijwerkingen (5,4% vs. 0%) waaronder COPD‑exacerbaties (1 van de 37 patiënten [2,7%]) en bronchitis (1 van de 37 patiënten [2,7%]).
Auto‑immuunprocessen
Therapie met abatacept leidde niet tot een toename van de aanmaak van autoantilichamen waaronder antinucleaire en anti-dsDNA-antilichamen vergeleken met de placebogroep.
De incidentie van auto‑immuunziekten was bij met abatacept behandelde patiënten gedurende de dubbelblinde periode 8,8 (7,6, 10,1) per 100 patiëntjaren aan blootstelling en 9,6 (7,9, 11,5) per 100 patiëntjaren aan blootstelling bij met placebo behandelde patiënten. De incidentie in de cumulatieve periode bij met abtacept behandelde patiënten was 3,8 per 100 patiëntjaren. De meest gemelde auto‑immuungerelateerde aandoeningen naast de onderzochte indicatie tijdens de cummulatieve periode waren psoriasis, nodulus rheumaticus en het syndroom van Sjögren.
Immunogeniciteit bij volwassenen die behandeld worden met intraveneus abatacept
De hoeveelheid antilichamen gericht tegen het abataceptmolecuul werden gemeten met ELISA-assays bij 3.985 patiënten met reumatoïde artritis die tot 8 jaar lang behandeld waren met abatacept. 187 van de 3.877 (4,8%) patiënten ontwikkelden anti‑abataceptantilichamen tijdens de behandeling. Bij controle op anti-abataceptantilichamen na beëindiging van abataceptbehandeling (> 42 dagen na de laatste dosering) waren 103 van de 1.888 (5,5%) patiënten seropositief.
Monsters met vastgestelde bindingsactiviteit aan CTLA‑4 werden onderzocht op aanwezigheid van neutraliserende antilichamen. Bij 22 van 48 evalueerbare patiënten was sprake van significante neutraliserende activiteit. De potentiële klinische relevantie van de vorming van neutraliserende antilichamen is niet bekend.
Over het geheel gezien was er geen duidelijke correlatie tussen de ontwikkeling van antilichamen en klinische respons of bijwerkingen. Het aantal patiënten dat antilichamen vormt, is echter te beperkt om een definitieve uitspraak te doen. Omdat immunogeniciteitanalyses productspecifiek zijn, kunnen cijfers voor antilichamen niet vergeleken worden met die van andere producten.
Immunogeniciteit bij volwassenen die behandeld worden met subcutaan abatacept
Studie SC‑I vergeleek de immunogeniciteit na subcutane of intraveneuze toediening van abatacept zoals beoordeeld met behulp van een ELISA-assay. Tijdens de initiële dubbelblinde periode (kortetermijnperiode) van 6 maanden was de frequentie van immunogeniciteit voor abatacept over het algemeen 1,1% (8/725) in de subcutane groep en 2,3% (16/710) in de intraveneuze groep. Het percentage komt overeen met eerdere ervaring en er was geen effect van de immunogeniciteit op de farmacokinetiek, veiligheid of werkzaamheid.
Immunogeniciteit na langdurige subcutane toediening van abatacept werd beoordeeld met behulp van een nieuwe elektrochemiluminescentie (ECL) assay. Vergelijking van incidenties tussen verschillende assays is niet passend, omdat het ECL-assay ontwikkeld is als gevoeliger en geneesmiddeltoleranter dan de voorgaande ELISA-assay. De cumulatieve frequentie van immunogeniciteit voor abatacept volgens de ECL-assay met minstens één positief monster van de gecombineerde korte‑en langetermijnperiodes was 15,7% (215/1.369) tijdens behandeling met abatacept, met een gemiddelde blootstellingsperiode van 48,8 maanden en 17,3% (194/1121) na stopzetting (> 21 dagen tot 168 dagen na laatste dosis). Het incidentiepercentage aangepast naar blootstelling (uitgedrukt per 100 persoonjaren) bleef stabiel gedurende de behandelduur.
Overeenkomend met eerdere ervaring, waren titers en aanhoudende antilichaamresponsen in het algemeen laag, hielden niet aan en stegen niet bij het voortzetten van de toediening (6,8% van de patiënten was seropositief bij 2 opeenvolgende bezoeken) en er was geen duidelijke correlatie tussen het ontwikkelen van antilichamen en klinische respons, bijwerkingen of farmacokinetiek.
In onderzoek SC‑III werden vergelijkbare immunogeniciteitspercentages gezien in patiënten die werden behandeld in de abatacept+MTX en abatacept monotherapiegroepen (respectievelijk 2,9% (3/103) en 5,0% (5/101) tijdens de dubbelblinde periode van 12 maanden. Net zoals in onderzoek SC‑I was er geen immunogeniciteitseffect op de veiligheid of werkzaamheid.
Immunogeniciteit en veiligheid van abatacept na staken en opnieuw starten van de behandeling
Binnen het subcutane programma werd een studie uitgevoerd om het effect op de immunogeniciteit te onderzoeken van staken (3 maanden) en herstarten van behandeling met subcutaan abatacept. Na staken van de behandeling met subcutaan abatacept, was de verhoogde immunogeniciteit consistent met hetgeen werd gezien bij het staken van de behandeling met intraveneus abatacept. Na herstarten van de behandeling, waren er geen reacties op de injectieplaats of andere veiligheidsproblemen bij patiënten bij wie de subcutane behandeling gedurende maximaal drie maanden was gestaakt vergeleken met patiënten die doorgingen met subcutane behandeling. Dit was ongeacht of de behandeling opnieuw werd gestart met of zonder intraveneuze oplaaddosis. De veiligheid zoals waargenomen in de behandelarm waarbij de behandeling opnieuw gestart werd zonder intraveneuze oplaaddosis was ook consistent met die in de andere studies.
In SC‑III werden hogere immunogeniciteitspercentages gezien in patiënten die werden getest tijdens de 6 maanden van volledig staken van geneesmiddelen in de abatacept+MTX- en abatacept monotherapiegroepen (respectievelijk 37,7% [29/77] en 44,1 [27/59]) met algemeen lage antilichaamrespons-titers. Er werd geen klinische impact van deze antilichaamresponses gevonden en er werden geen veiligheidsissues waargenomen na opnieuw opstarten van de behandeling met abatacept.
Reacties op de injectie bij volwassen patiënten behandeld met subcutaan abatacept
Studie SC‑I vergeleek de veiligheid van abatacept waaronder reacties op de injectieplaats na subcutane of intraveneuze toediening. De totale frequentie van reacties op de injectieplaats was 2,6% (19/736) voor de groep met subcutaan abatacept en 2,5% (18/721) voor de groep met subcutaan placebo (intraveneus abatacept). Alle injectieplaatsreacties werden beschreven als licht tot matig (hematoom, pruritus of erytheem) en behoefden over het algemeen geen onderbreking van de behandeling. Gedurende de cumulatieve periode, op het moment dat alle proefpersonen behandeld met abatacept waren geïncludeerd in de 7 SC-onderzoeken, was de frequentie van reacties op de injectieplaats 4,6% (116/2.538) met een incidentie van 1,32 per 100 patiëntjaren.
Postmarketingmeldingen van systemische reacties op de injectie (bijv. pruritus, beklemmend gevoel in de keel, dyspneu) werden ontvangen na het gebruik van ORENCIA subcutaan.
Veiligheidsinformatie gerelateerd aan de farmacologische klasse
Abatacept is de eerste selectieve co‑stimulatiemodulator. Informatie over de relatieve veiligheid in een klinisch onderzoek ten opzichte van infliximab is samengevat in rubriek 5.1.
Samenvatting van het veiligheidsprofiel bij artritis psoriatica
Abatacept is onderzocht bij patiënten met actieve artritis psoriatica in twee placebogecontroleerde klinische onderzoeken (341 patiënten met abatacept, 253 patiënten met placebo) (zie rubriek 5.1). Gedurende de 24‑weekse placebogecontroleerde periode in de grotere PsA‑II studie was het percentage patiënten met bijwerkingen vergelijkbaar tussen de abatacept- en placebobehandelgroepen (respectievelijk 15,5% en 11,4%). Er waren geen bijwerkingen die ≥ 2% voorkwamen in een van de behandelingsgroepen tijdens de 24‑weekse placebogecontroleerde periode. Het algehele veiligheidsprofiel was vergelijkbaar tussen studies PsA‑I en PsA‑II en in overeenstemming met het veiligheidsprofiel bij reumatoïde artritis (tabel 2).
Pediatrische patiënten
Abatacept is onderzocht bij patiënten met pJIA in twee klinische onderzoeken (lopende pJIA SC studie en pJIA IV studie). De pJIA SC studie bevatte 46 patiënten in het leeftijdscohort van 2 tot 5 jaar en 173 patiënten in het leeftijdscohort van 6 tot 17 jaar. De pJIA IV studie bevatte 190 patiënten in het leeftijdscohort van 6 tot 17 jaar. Gedurende de eerste 4 maanden open-label periode was het algemene veiligheidsprofiel bij deze 409 pJIA‑patiënten vergelijkbaar met het profiel zoals geobserveerd in de RA‑populatie, met de volgende uitzonderingen bij de pJIA‑patiënten:
- Vaak voorkomende bijwerking: pyrexie
- Soms voorkomende bijwerkingen: hematurie, otitis (media en externa)
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Infecties
De meest gemelde bijwerkingen in patiënten met pJIA waren infecties. De infectietypen waren in overeenstemming met die normaliter worden waargenomen bij poliklinische pediatrische patiënten. Tijdens de eerste 4 maanden van behandeling met intraveneus en subcutaan abatacept bij 409 patiënten met pJIA waren de meest voorkomende bijwerkingen nasofaryngitis (3,7% van de patiënten) en bovensteluchtweginfectie (2,9% van de patiënten). Twee ernstige infecties (varicella en sepsis) werden gemeld tijdens de initiële 4 maanden behandeling met abatacept.
Reacties op de injectieplaats
Bij de 219 patiënten met pJIA die met subcutaan abatacept werden behandeld gedurende de eerste 4 maanden abatacept behandeling, was de frequentie van lokale reacties op de injectie 4,6% (10/219); pijn rond de injectieplaats en injectieplaats erytheem waren de meest gemelde lokale reacties op de injectie. Er werden geen systemische overgevoeligheidsreacties gemeld.
Immunogeniciteit bij patiënten met pJIA die behandeld worden met subcutaan abatacept
Antilichamen tegen het gehele abataceptmolecuul of tegen het CTLA‑4 deel van abatacept zijn bepaald met behulp van een ECL-assay bij patiënten met pJIA na herhaalde behandeling met subcutaan abatacept. In totaal had 6,9% (15/218) van de patiënten (cohorten gecombineerd) een positieve immunogeniciteitsrespons ten opzichte van baseline gedurende de cumulatieve periode, inclusief de 4 maanden kortetermijnperiode, de 20 maanden extensieperiode en de 6 maanden post-abatacept follow‑up periode. In het leeftijdscohort van 6 tot 17 jaar was de totale mate van seropositiviteit tijdens de cumulatieve periode inclusief post-abatacept follow‑up 4,7% (8/172): 2,3% (4/172) tijdens de behandeling en 13,6 % (6/44) na beëindiging van abataceptbehandeling (≥28 dagen na de laatste dosis). In het leeftijdscohort van 2 tot 5 jaar was de totale mate van seropositiviteit tijdens de cumulatieve periode inclusief post-abatacept follow‑up 15,2% (7/46): 10,9% (5/46) tijdens de behandeling en 37,5% (3/8) na beëindiging van abataceptbehandeling (≥ 28 dagen na de laatste dosis).
Totale antilichamen tegen abatacept waren over het algemeen tijdelijk en met een lage titer. De afwezigheid van gelijktijdig toegediend methotrexaat bleek niet te zijn gerelateerd aan een hogere mate van seropositiviteit. De significantie van de hogere incidentie in het leeftijdscohort van 2 tot 5 jaar is niet bekend, gezien het verschil in steekproefgrootte. Er was geen verband tussen de aanwezigheid van antilichamen en bijwerkingen, of veranderingen in werkzaamheid of in de abataceptconcentraties in het serum in beide cohorten.
Langlopende extensieperiode
Gedurende de extensieperiode van de pJIA studies (20 maanden in de lopende pJIA SC studie en 5 jaar in de pJIA IV studie) was het veiligheidsprofiel bij de pJIA‑patiënten van 6 tot 17 jaar vergelijkbaar met het profiel gezien bij volwassen patiënten. Eén patiënt werd gediagnosticeerd met multipele sclerose gedurende de extensieperiode van de pJIA IV studie. Eén ernstige bijwerking op het gebied van infectie (abces in een ledemaat) werd gerapporteerd in het leeftijdscohort van 2 tot 5 jaar gedurende de 20 maanden extensieperiode van de pJIA SC studie.
Langetermijngegevens met betrekking tot veiligheid in het leeftijdscohort van pJIA‑patiënten van 2 tot 5 jaar waren beperkt, maar het bestaande bewijs liet geen nieuwe veiligheidsproblemen zien bij deze jongere pediatrische populatie. Tijdens de 24 maanden durende cumulatieve periode van de pJIA SC studie (4 maanden kortetermijnperiode plus 20 maanden extensieperiode) werd een hogere frequentie van infecties gemeld in het leeftijdscohort van 2 tot 5 jaar (87,0%) dan in het leeftijdscohort van 6 tot 17 jaar (68,2 %). Dit werd voornamelijk veroorzaakt door niet-ernstige infecties van de bovenste luchtwegen in het leeftijdscohort van 2 tot 5 jaar.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Bristol-Myers Squibb Pharma EEIG
Plaza 254
Blanchardstown Corporate Park 2
Dublin 15, D15 T867
Ierland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/07/389/004-010
EU/1/07/389/013-014
9 DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 21 mei 2007
Datum van laatste verlenging: 15 maart 2012
10 DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
12 maart 2026
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau https://www.ema.europa.eu.
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 3018215 | ORENCIA 4 SER VOORGEV 1 ML OPL INJ 125 MG | L04AA24 | € 790,33 | - | Ja | € 12,8 | € 8,5 |