SAMENVATTING VAN de PRODUCTKENMERKEN
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Hizentra, 200 mg/ml-oplossing voor subcutane injectie
Hizentra, 200 mg/ml-oplossing voor subcutane injectie in voorgevulde spuit
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Humane normale immunoglobuline (SCIg)
Eén ml bevat:
Humaan normaal immunoglobuline plasma-eiwit........................200 mg
(zuiverheid: minstens 98% is immunoglobuline type G (IgG))
Injectieflacons
Elke injectieflacon van 5 ml oplossing bevat: 1 g humaan normaal immunoglobuline
Elke injectieflacon van 10 ml oplossing bevat: 2 g humaan normaal immunoglobuline
Elke injectieflacon van 20 ml oplossing bevat: 4 g humaan normaal immunoglobuline
Elke injectieflacon van 50 ml oplossing bevat: 10 g humaan normaal immunoglobuline
Voorgevulde spuiten
Elke voorgevulde spuit van 5 ml oplossing bevat: 1 g humaan normaal immunoglobuline
Elke voorgevulde spuit van 10 ml oplossing bevat: 2 g humaan normaal immunoglobuline
Elke voorgevulde spuit van 20 ml oplossing bevat: 4 g humaan normaal immunoglobuline
Verdeling van de IgG-subklassen (geschatte waarden):
IgG1.....69 %
IgG2.....26 %
IgG3.....3 %
IgG4.....2 %
Het maximale IgA-gehalte bedraagt 50 microgram/ml.
Gemaakt uit plasma van menselijke donors.
Hulpstoffen met bekend effect
Hizentra bevat ongeveer 250 mmol/l (bereik: 210 tot 290) L-proline.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor subcutane injectie.
De oplossing is helder en lichtgeel of lichtbruin.
Hizentra heeft een geschatte osmolaliteit van 380 mOsmol/kg.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
- Substitutietherapie bij volwassenen, kinderen en adolescenten (0-18 jaar) met:
- Primaire immunodeficiëntie syndromen met verminderde antilichaamproductie (zie rubriek 4.4)
- Secundaire immunodeficiëntie (SID) bij patiënten met ernstige of recidiverende infecties, falen van een behandeling met antibiotica en ofwel bewezen falen van specifieke antilichamen (PSAF)* of een IgG-serumspiegel <4 g/l.
* PSAF = het falen van een stijging met factor 2 of meer van de concentratie van IgG-antilichamen na toediening van vaccins met het pneumokokkenpolysacharide- en met het polypeptide-antigen.
Immunomodulerende therapie bij volwassenen, kinderen en adolescenten (0-18 jaar):
Hizentra is geïndiceerd voor de behandeling van patiënten met chronische inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie (CIDP) als onderhoudstherapie na stabilisatie met IVIg
4.2 Dosering en wijze van toediening
De dosis en het doseringsschema zijn afhankelijk van de indicatie
Behandeling moet worden ingezet en gecontroleerd onder supervisie van een zorgverlener die ervaring heeft met de behandeling van immunodeficiëntie/CIDP met SCIg.
Dosering
Volwassenen en kinderen (0-18 jaar)
Substitutietherapie
Het geneesmiddel dient subcutaan toegediend te worden.
Bij substitutietherapie kan het nodig zijn de dosering per patiënt te individualiseren afhankelijk van de klinische reactie en serum IgG-dalconcentraties. De volgende doseringsschema’s worden als richtsnoer gegeven.
De doseringsschema’s moeten IgG dalconcentraties (gemeten vóór de volgende infusie) bereiken van ten minste 6 g/l of binnen de normale referentiewaarden voor de leeftijd van de populatie liggen.
Een oplaaddosis van minstens 0,2 tot 0,5 g/kg (1,0 tot 2,5 ml/kg) lichaamsgewicht kan vereist zijn. Dit moet mogelijk worden verdeeld over verschillende dagen. Nadat constante IgG-niveaus bereikt zijn, worden onderhoudsdoses toegediend met herhaalde tussenpozen om een cumulatieve maandelijkse dosis van ongeveer 0,4 tot 0,8 g/kg (2,0 tot 4,0 ml/kg) lichaamsgewicht te bereiken. Het kan zijn dat elke enkelvoudige dosis op verschillende anatomische plaatsen dient geïnjecteerd te worden.
Dalconcentraties moeten worden gemeten en samen met de klinische respons van de patiënt worden geëvalueerd. Afhankelijk van de klinische respons (bv. graad van infectie), kan aanpassing van de dosis en/of het dosisinterval worden overwogen om hogere dalconcentraties te bereiken.
Immunomodulerende therapie bij CIDP
De behandeling met Hizentra wordt 1 week na de laatste IVIg-infusie gestart. De aanbevolen subcutane dosis is 0,2 tot 0,4 g/kg lichaamsgewicht per week toegediend in 1 of 2 sessies over 1 of 2 opeenvolgende dagen. De eerste subcutane dosis kan een 1:1 omrekening van de oude IVIG-dosis zijn (berekend als weekdosis).
Bijvoorbeeld: een toediening van IVIG 1 g/kg om de 3 weken wordt na omrekening een wekelijkse Hizentra-dosis van 0,33 g/kg/week.
De wekelijkse dosis kan over kleinere doses worden verdeeld en in een gewenst aantal keren per week worden toegediend. Voor toediening om de twee weken moet de wekelijkse dosis van Hizentra verdubbeld worden.
De dosis moet eventueel worden aangepast om de gewenste klinische respons te verkrijgen. Bij een aanpassing van de dosering moet de klinische respons van de individuele patiënt de voornaamste overweging zijn. Bij klinische achteruitgang mag de dosis worden verhoogd tot de aanbevolen maximumdosis van 0,4 g/kg/week.
Een onderhoudstherapie met Hizentra bij CIDP werd niet onderzocht voor perioden langer dan 18 maanden. Pas de duur van een behandeling langer dan 18 maanden aan volgens de respons van de patiënt en de bewezen noodzaak tot voortzetting van de behandeling.
Een placebogecontroleerde studie heeft de werkzaamheid van Hizentra aangetoond na overschakeling van intraveneuze toediening van immunoglobulines (IVIG). Directe vergelijkende data van Hizentra ten opzichte van IVIG zijn niet beschikbaar. Zie ook rubriek 5.1.
Pediatrische patiënten
De dosering bij kinderen en adolescenten (0 – 18 jaar) is niet anders dan bij volwassenen aangezien de dosering voor elke indicatie wordt gegeven op basis van lichaamsgewicht en aangepast wordt aan het klinische resultaat bij substitutietherapie-indicaties.
Hizentra werd geëvalueerd bij 68 pediatrische patiënten met PID van 2 tot 12 jaar en bij 57 adolescenten van 12 tot 18 jaar. Er zijn geen pediatrisch-specifieke dosisvereisten die nodig waren om de gewenste serum IgG-concentraties te bereiken. Hizentra werd niet geëvalueerd in klinische onderzoeken bij pediatrische patiënten met CIDP jonger dan 18 jaar.
Ouderen
Aangezien de dosering wordt bepaald op basis van het lichaamsgewicht en wordt aangepast op basis van het klinische resultaat van de bovenvermelde aandoeningen, wordt ervan uitgegaan dat de dosering bij ouderen niet verschilt van die bij patiënten van 18 tot en met 65 jaar.
Hizentra werd geëvalueerd in klinische studies bij 13 patiënten met PID ouder dan 65 jaar en er zijn geen specifieke aanpassingen van de dosis vereist om de gewenste serum IgG-concentraties te bereiken.
Hizentra werd geëvalueerd in klinische studies bij 61 patiënten met CIDP ouder dan 65 jaar en er zijn geen specifieke aanpassingen van de dosis vereist om het gewenste klinische resultaat te bereiken.
Wijze van toediening
Alleen voor subcutaan gebruik.
Thuisbehandeling
Subcutane infusie voor thuisbehandeling moet worden gestart en gecontroleerd door een zorgverlener die ervaring heeft met de begeleiding van patiënten bij thuisbehandeling. De zorgverlener dient de geschikte infusiemethode te bepalen (infusie met infusiehulpmiddel of door handmatige toediening), gebaseerd op de individuele medische situatie en voorkeur van de patiënt. Infusiehulpmiddelen geschikt voor subcutane toediening van immunoglobulines kunnen worden gebruikt. De patiënt of een zorgverlener dient opgeleid en getraind te worden in het gebruik van infusiehulpmiddelen, het bijhouden van een behandelingsdagboek, herkennen van ernstige bijwerkingen en de maatregelen die dan moeten worden genomen.
Hizentra kan geïnfundeerd worden op plaatsen zoals buik, dij, bovenarm en/of laterale heup. Er kan meer dan één infusiehulpmiddel tegelijkertijd gebruikt worden. De hoeveelheid product die op een bepaalde infusieplaats wordt toegediend kan variëren. Bij zuigelingen en kinderen kan de infusieplaats om de 5-15 ml gewijzigd worden. Bij volwassenen kunnen doses tot 50 ml/plaats gegeven worden. Er is geen limiet wat het aantal infusieplaatsen betreft. De infusieplaatsen moeten minstens 5 cm van elkaar verwijderd zijn.
Infusiesnelheid
Hizentra kan geïnfundeerd worden
- met een infusiehulpmiddel, of
- door handmatige toediening met een spuit.
De aanbevolen initiële infusiesnelheid is afhankelijk van de persoonlijke behoefte van de patiënt.
Infusie met infusiehulpmiddel
De initiële infusiesnelheid mag niet hoger liggen dan 20 ml/uur/plaats.
Als dit goed wordt verdragen (zie ook rubriek 4.4), kan de infusiesnelheid geleidelijk verhoogd worden tot 35 ml/uur/plaats voor de volgende 2 infusies.
Als de patiënt de initiële infusies met de volledige dosis per locatie en maximale snelheid verdraagt, kan daarna een verhoging van de infusiesnelheid bij de opeenvolgende infusies worden overwogen naar goeddunken van de patiënt en op basis van het oordeel van de zorgverleners.
Infusie door handmatige toediening
De aanbevolen initiële infusiesnelheid mag niet hoger liggen dan 0,5 ml/min/plaats (30 ml/uur/plaats).
Als dit goed wordt verdragen (zie ook rubriek 4.4), kan de infusiesnelheid verhoogd worden tot 2,0 ml/min/plaats (120 ml/uur/plaats). Als de patiënt de initiële infusies met de volledige dosis per locatie en maximale snelheid verdraagt, kan daarna een verhoging van de infusiesnelheid bij de opeenvolgende infusies worden overwogen naar goeddunken van de patiënt en op basis van het oordeel van de zorgverleners.
Het kan nodig zijn om een injectienaald van 24 gauge of groter (d.w.z. met een lager gaugenummer) te gebruiken om het patiënten mogelijk te maken om hogere infusiesnelheden te hanteren. Met kleinere injectienaalden (d.w.z. met een hoger gaugenummer) kan het moeilijker zijn om Hizentra handmatig toe te dienen. Per injectienaald kan maar op 1 infusieplaats geïnfundeerd worden. Indien toediening met een bijkomende Hizentra spuit vereist is, dient op een nieuwe infusieplaats een nieuwe steriele injectienaald gebruikt te worden.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen (zie rubriek 4.4).
Patiënten met hyperprolinemie type I of II.
Hizentra mag niet intravasculair worden toegediend.
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van veiligheidsprofiel
Bijwerkingen zoals rillingen, hoofdpijn, koorts, braken, allergische reacties, misselijkheid, gewrichtspijn, lage bloeddruk en matige lage rugpijn kunnen soms voorkomen.
In zeldzame gevallen kunnen humane normale immunoglobulinen een plotse daling van de bloeddruk veroorzaken en in uitzonderlijke gevallen anafylactische shock, zelfs wanneer de patiënt niet overgevoelig is gebleken bij eerdere toediening.
Lokale reacties op de plaats van toediening zijn: zwelling, pijn, roodheid, verharding, plaatselijk warm gevoel, jeuk, kneuzingen en huiduitslag.
Voor veiligheid met betrekking tot infectieuze agentia, zie rubriek 4.4.
Tabelgegevens van bijwerkingen
Bijwerkingen (AR’ s) werden verzameld tijdens klinische studies met Hizentra in 7 fase III-onderzoeken bij patiënten met primaire immunodeficiëntie (n = 231), 2 fase IV-onderzoeken bij patiënten met PID (n=74), 1 fase III-onderzoek (n = 115) en 1 extensiestudie (n=82) bij patiënten met CIDP (totaal N = 502 patiënten; 26.646 infusies). De bijwerkingen die gerapporteerd werden in deze klinische onderzoeken zijn hieronder samengevat en gecategoriseerd volgens de MedDRA-Systeem orgaanklasse en frequentie (SOC en Preferred Term level).
De frequentie per patiënt of per infusie is geëvalueerd aan de hand van volgende criteria: Zeer vaak (≥1/10), Vaak (≥1/100, <1/10), Soms (≥1/1.000, <1/100), Zelden (≥1/10.000, <1/1.000) en Zeer zelden (<1/10.000). De frequentie van spontaan gemelde bijwerkingen tijdens de postmarketingfase wordt gerangschikt in de categorie 'niet bekend'.
Binnen elke frequentiegroep worden de bijwerkingen weergegeven in volgorde van afnemende frequentie.
Frequentie van bijwerkingen (ADR’ s) die in verband gebracht worden met Hizentra, afkomstig uit klinische studies en de postmarketingbewaking – aantal meldingen per patiënt of per infusie
Systeem/orgaanklasse | Bijwerking (MedDRA, Preferred Term) | Frequentie per patiënt | Frequentie per infusie |
Immuunsysteemaandoeningen | Overgevoeligheid | Soms | Zelden |
Anafylactische reactie | Niet bekend | Niet bekend | |
Zenuwstelselaandoeningen | Hoofdpijn | Zeer vaak | Soms |
Duizeligheid, migraine | Vaak | Zelden | |
Tremor (waaronder Psychomotorische hyperactiviteit) | Soms | Zelden | |
Aseptische meningitis | Soms | Zeer zelden | |
Brandend gevoel | Niet bekend | Niet bekend | |
Hartaandoeningen | Tachycardie | Soms | Zeer zelden |
Bloedvataandoeningen | Hypertensie | Vaak | Zelden |
Blozen | Soms | Zelden | |
Embolische en trombotische voorvallen | Niet bekend | Niet bekend | |
Maagdarmstelselaandoeningen | Diarree, Buikpijn | Vaak | Soms |
Misselijkheid, Braken | Vaak | Zelden | |
Huid- en onderhuid- | Huiduitslag | Zeer vaak | Soms |
Pruritus, Netelroos | Vaak | Zelden | |
Skeletspierstelsel- en bindweefsel- | Musculoskeletale pijn, Gewrichtspijn | Vaak | Soms |
Spierspasmen, Spierzwakte | Soms | Zelden | |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Reactie op de plaats van infusie | Zeer vaak | Zeer vaak |
Vermoeidheid (waaronder Malaise), Koorts | Vaak | Soms | |
Pijn op de borst, Griepachtige ziekte, Pijn | Vaak | Zelden | |
Rillingen (waaronder Hypothermie) | Soms | Zelden | |
Zweervorming op de plaats van infusie | Niet bekend | Niet bekend | |
Onderzoeken | Verhoogde creatinine in bloed | Soms | Zelden |
Pediatrische patiënten
Klinische studies met Hizentra toonden een vergelijkbaar algeheel veiligheidsprofiel aan bij pediatrische en volwassen patiënten met PID.
Hizentra werd niet geëvalueerd in klinische studies bij pediatrische patiënten met CIDP jonger dan 18 jaar.
Ouderen
Bij ouderen kunnen dezelfde bijwerkingen optreden. De informatie van klinische studies wees niet op een verschil in veiligheidsprofiel tussen patiënten ≥ 65 jaar en jongere patiënten.
De postmarketingervaring met Hizentra bij patiënten ≥ 65 jaar wijst al met al op eenzelfde veiligheidsprofiel in die leeftijdsgroep als bij jongere patiënten.
Zie rubriek 4.4 voor details over risicofactoren en aanbevelingen voor monitoring.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via
België:
Federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten
Afdeling Vigilantie
Postbus 97
1000 Brussel
Madou
Website: www.eenbijwerkingmelden.be
e-mail: adr@fagg.be
Nederland:
Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb
Website: www.lareb.nl
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
CSL Behring GmbH
Emil-von-Behring-Strasse 76
D-35041 Marburg
Duitsland
8. NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Injectieflacons
EU/1/11/687/001
EU/1/11/687/002
EU/1/11/687/003
EU/1/11/687/004
EU/1/11/687/005
EU/1/11/687/006
EU/1/11/687/010
EU/1/11/687/011
EU/1/11/687/012
EU/1/11/687/013
EU/1/11/687/014
Voorgevulde spuiten
EU/1/11/687/015
EU/1/11/687/016
EU/1/11/687/017
EU/1/11/687/018
EU/1/11/687/019
EU/1/11/687/020
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
11/2021
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europese Geneesmiddelen Bureau: http://www.ema.europa.eu/
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2843993 | HIZENTRA 200 MG/ML SOL INJ 4 G/20 ML | J06BA01 | - | - | Ja | - | - |
| 2844009 | HIZENTRA 200 MG/ML SOL INJ 2 G/10 ML | J06BA01 | - | - | Ja | - | - |
| 2844017 | HIZENTRA 200 MG/ML SOL INJ 1 G/ 5 ML | J06BA01 | - | - | Ja | - | - |
