SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Solu-Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) Act-O-Vial 40 mg – 125 mg – 250 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie
Solu-Medrol 500 mg – 1000 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie
Solu-Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) 40 mg – 125 mg – 500 mg – 1000 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie
(methylprednisolon)
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
De werkzame stof van Solu-Medrol is methylprednisolon. Zij is aanwezig onder de vorm van methylprednisolonnatriumsuccinaat.
Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie (zonder benzylalcohol): Act-O-Vial systeem:
Solu-Medrol S.A.B. Act-O-Vial 40 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 40 mg methylprednisolon.
Solu-Medrol S.A.B. Act-O-Vial 125 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 125 mg methylprednisolon.
Solu-Medrol S.A.B. Act-O-Vial 250 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 250 mg methylprednisolon.
Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie:
Solu-Medrol 500 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 500 mg methylprednisolon.
Solu-Medrol 1000 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 1000 mg methylprednisolon.
Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie (zonder benzylalcohol)
Solu-Medrol S.A.B. 40 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 40 mg methylprednisolon.
Solu-Medrol S.A.B. 125 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 125 mg methylprednisolon.
Solu-Medrol S.A.B. 500 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 500 mg methylprednisolon.
Solu-Medrol S.A.B. 1000 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: elke injectieflacon bevat methylprednisolonnatriumsuccinaat overeenkomend met 1000 mg methylprednisolon.
Hulpstoffen met bekend effect:
Benzylalcohol: De oplossingen die gereconstitueerd zijn met Solu-Medrol bevatten 9 mg benzylalcohol per ml, met uitzondering van de oplossingen die gereconstitueerd zijn met Solu-Medrol S.A.B. en S.A.B. Act-O-Vial (zonder benzylalcohol).
Natrium:
- Solu-Medrol S.A.B. Act-O-Vial 250 mg poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie bevat 32,56 mg natrium per Act-O-Vial.
- Solu-Medrol 500 mg en 500 mg S.A.B. poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie bevatten 58,39 mg natrium per injectieflacon.
- Solu-Medrol 1000 mg en 1000 mg S.A.B. poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie bevatten 116,78 mg natrium per injectieflacon.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Iedere verpakking bevat een steriel poeder voor inspuiting en een steriele oplossing.
Intraveneuze en intramusculaire toediening.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Glucocorticoïden dienen als een zuiver symptomatische behandeling beschouwd te worden tenzij bij bepaalde endocriene stoornissen waar zij als substitutiebehandeling worden toegepast.
Anti‑inflammatoire behandeling
- Reumatische aandoeningen
Als adjuvans voor kortstondig gebruik (om de patiënt over een acute episode of exacerbatie heen te helpen) bij:
- Posttraumatische osteoartritis
- Synovitis bij osteoartritis
- Reumatoïde artritis, met inbegrip van de juveniele vorm (in sommige gevallen kan een laag gedoseerde onderhoudstherapie noodzakelijk zijn)
- Acute en subacute bursitis
- Epicondylitis
- Acute, aspecifieke tenosynovitis
- Acute artritis bij jicht
- Artritis psoriatica
- Spondylitis ankylopoietica
- Collageenziekten (immuuncomplexziekten)
Tijdens een exacerbatie of als onderhoudstherapie in bepaalde gevallen van:
- Systemische lupus erythematosus (en lupus nephritis)
- Acute reumatische carditis
- Systemische dermatomyositis (polymyositis)
- Polyarteritis nodosa
- Syndroom van Goodpasture
- Dermatologische aandoeningen
- Pemphigus
- Ernstig erythema multiforme (syndroom van Stevens‑Johnson)
- Dermatitis exfoliativa
- Dermatitis herpetiformis bullosa
- Ernstige dermatitis seborrhoeica
- Ernstige psoriasis
- Mycosis fungoides
- Urticaria
- Allergische aandoeningen
Onderdrukking van ernstige of invaliderende allergische toestanden die niet reageren op adequate conventionele therapieën, bij:
- Asthma bronchiale
- Contactdermatitis
- Atopische dermatitis
- Serumziekte
- Medicamenteuze allergie
- Urticaria na transfusie
- Acuut, niet‑geïnfecteerd larynxoedeem (adrenaline is het eerste keuzepreparaat)
- Oogaandoeningen
Ernstige acute en chronische oogaandoeningen van allergische en inflammatoire aard, zoals:
- Herpes zoster ophthalmicus
- Iritis, iridocyclitis
- Chorioretinitis
- Diffuse uveitis posterior en choroiditis
- Neuritis optica
- Ophthalmia sympathica
- Maagdarmstelselaandoeningen
Om de patiënt over een kritieke ziekteperiode heen te helpen, bij:
- Colitis ulcerosa (systemische therapie)
- Enteritis regionalis (systemische therapie)
- Ademhalingsstelselaandoeningen
- Pulmonale sarcoidosis
- Berylliosis
- Fulminerende of gedissemineerde longtuberculose, bij gelijktijdige toediening van adequate tuberculostatica
- Syndroom van Loeffler, indien andere middelen geen effect hebben gesorteerd
- Aspiratiepneumonie
- Oedemateuze toestanden
Voor inductie van diurese of remissie van proteïnurie bij nefrotisch syndroom, zonder uremie, van het idiopathische type of veroorzaakt door lupus erythematosus
Immunosuppressieve behandeling
- Orgaantransplantaties
Behandeling van hematologische en oncologische aandoeningen
- Hematologische aandoeningen
- Verworven (auto‑immuun) anaemia haemolytica
- Idiopathische purpura thrombocytopenica bij volwassenen (uitsluitend intraveneus; de intramusculaire toediening is gecontra-indiceerd)
- Secundaire trombocytopenie bij volwassenen
- Erytroblastopenie (RBC anemie)
- Congenitale (erythroïde) anaemia hypoplastica
- Oncologische aandoeningen
Voor palliatieve behandeling van:
- Leukemieën en lymfomen bij volwassenen
- Acute leukemie bij kinderen
Diverse
- Zenuwstelsel
- Hersenoedeem door primaire of metastatische tumor en/of gepaard gaand met heelkundige ingreep of bestralingstherapie
- Acute exacerbaties van sclerosis multiplex
- Acuut ruggenmergtrauma. De behandeling moet binnen de acht uur na het letsel starten.
- Meningitis tuberculosa met dreigend of reeds ingesteld subarachnoïdaal blok, in combinatie met adequate antituberculeuze chemotherapie
- Trichinosis met neurologische of myocardiale implicatie
- Preventie van nausea en braken bij de chemotherapeutische behandeling van kanker
Endocriene aandoeningen
- Primaire of secundaire bijnierschorsinsufficiëntie
- Acute bijnierschorsinsufficiëntie:
Voor deze indicaties zijn hydrocortison of cortison de keuzepreparaten. Synthetische analogen kunnen evenwel in bepaalde gevallen worden toegepast indien zij gecombineerd worden met mineralocorticoïden.
- Behandeling van shocktoestanden: shock volgend op bijnierschorsinsufficiëntie of shock die niet reageert op conventionele therapie, in geval van feitelijke of vermoede bijnierschorsinsufficiëntie (hydrocortison is over het algemeen het keuzepreparaat. Indien mineralocorticoïde effecten ongewenst zijn, kan methylprednisolon de voorkeur verdienen).
- Vóór heelkundige ingrepen en in geval van ernstige ziekte of trauma, bij patiënten met bekende bijnierschorsinsufficiëntie of twijfelachtige bijnierschorsreserve
- Congenitale bijnierhyperplasie
- Niet‑etterende thyroïditis
- Hypercalciëmie bij kanker
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
Zie onderstaande tabel voor aanbevolen doseringen.
Aanbevolen doseringen voor methylprednisolonnatriumsuccinaat
Indicatie | Dosering |
Als adjuvans bij levensgevaarlijke toestanden | De aanbevolen dosis bedraagt 30 mg/kg, intraveneus gegeven gedurende een periode van minstens 30 minuten. |
"PULSE‑THERAPY" in geval van zeer ernstige exacerbatie en/of falende standaardtherapie, zoals niet‑steroïde anti-inflammatoire middelen, goudzouten en penicillamine. | Voorgestelde doseringsschema’s: |
Preventie van nausea en braken bij de chemotherapeutische behandeling van kanker | Voorgestelde doseringsschema's: |
Acuut ruggenmergtrauma | De behandeling moet binnen de 8 uur na het trauma beginnen. |
In andere indicaties | zal de startdosis variëren van 10 tot 500 mg, naargelang de klinische toestand. Voor kortstondige behandeling van ernstige, acute toestanden, zoals asthma bronchiale, serumziekte en urticaria na transfusie kunnen hogere dosissen vereist zijn. Startdosissen tot en met 250 mg dienen intraveneus toegediend te worden over minstens 5 minuten. Dosissen hoger dan 250 mg moeten over minstens 30 minuten worden gespreid. De verdere dosissen kunnen intraveneus of intramusculair worden gegeven met tussentijden bepaald volgens respons en klinische toestand van de patiënt. Corticotherapie is een adjuvans, maar geen vervangmiddel van de conventionele behandeling. |
Na toediening gedurende meerdere dagen moet de dosering worden verlaagd of moet de behandeling geleidelijk worden onderbroken. Indien bij een chronische aandoening zich een spontane remissie voordoet, dient de behandeling onderbroken te worden. Tijdens langdurige therapieën is het aangewezen geregeld over te gaan tot thoraxradiografie en tot de gebruikelijke laboratoriumproeven, zoals urineanalyse, glycemie twee uur post‑prandiaal, bloeddruk en lichaamsgewicht. Bij patiënten die aan een maagzweer hebben geleden en bij deze met ernstige dyspepsie, is radiografie van de bovenste gastro‑intestinale tractus wenselijk.
Medisch toezicht is eveneens noodzakelijk bij het onderbreken van een chronische behandeling.
Voor toediening via intraveneuze of intramusculaire injectie dient de oplossing volgens de instructies bereid te worden.
Pediatrische patiënten
De dosering bij kinderen dient gebaseerd te zijn op de doseringsprincipes bij volwassenen (zie hierboven) en moet worden afgestemd op de ernst van de ziekte en de klinische respons. De behandeling moet worden beperkt tot de laagst noodzakelijke dosering waarmee op een zo kort mogelijke termijn een positieve respons wordt bereikt. Als de toediening van het geneesmiddel na een langdurige behandeling dient te worden onderbroken, is het raadzaam de doses geleidelijk te verminderen in plaats van de behandeling abrupt te staken.
Indien mogelijk dient de behandeling om de twee dagen als enkelvoudige dosis te worden toegediend (zie rubriek 4.4).
Solu-Medrol 500 mg en Solu-Medrol 1000 mg bevatten benzylalcohol. Deze afleveringsvormen mogen alleen bij pasgeborenen (jonger dan 4 weken) gebruikt worden als dit strikt noodzakelijk is en er geen alternatieven mogelijk zijn.
Solu-Medrol 500 mg en Solu-Medrol 1000 mg mogen niet langer dan een week gebruikt worden bij kinderen jonger dan 3 jaar tenzij strikt noodzakelijk (zie rubriek 4.4).
Afleveringsvormen zonder benzylalcohol (Solu-Medrol S.A.B. en Solu-Medrol S.A.B. Act-O-Vial) zijn beschikbaar.
Ouderen
Bij het inplannen van een behandeling bij ouderen dient, zeker als het een langdurige behandeling betreft, rekening te worden gehouden met het risico dat bijwerkingen van corticosteroïden bij ouderen ernstiger kunnen zijn, met name osteoporose, diabetes mellitus, hypertensie, gevoeligheid voor infecties en atrofie van de huid (zie rubriek 4.4).
Wijze van toediening
De methylprednisolonnatriumsuccinaatoplossing mag worden toegediend via intraveneuze of intramusculaire injectie of via een intraveneuze infusie. De intraveneuze injectie geniet de voorkeur voor het inzetten van de therapie bij spoedgevallen.
4.3 Contra‑indicaties
- Overgevoeligheid voor methylprednisolon of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Patiënten met systemische schimmelinfecties.
- Intrathecale toediening.
- Epidurale toediening.
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De volgende bijwerkingen zijn kenmerkend voor methylprednisolonnatriumsuccinaat. Aan het begin van de behandeling kunnen overgevoeligheidsreacties optreden (zie rubriek 4.4). Ernstige infecties, waaronder opportunistische infecties, kunnen ook optreden bij behandeling met corticosteroïden. Andere bijwerkingen zijn convulsies, pathologische fracturen en wervelcompressiefracturen, maagzweren met perforatie of bloeding, peesscheur, psychische problemen of manifestaties, syndroom van Cushing, steroïdonttrekkingssyndroom, hypertensie, myopathie, glaucoom, subcapsulair cataract, verminderde glucosetolerantie, huideruptie, vochtretentie, buikpijn, misselijkheid, hoofdpijn, duizeligheid.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld met de volgende gecontra-indiceerde wijzen van toediening: intrathecaal/epiduraal: arachnoïditis, functionele gastro-intestinale stoornis/blaasdisfunctie, hoofdpijn, meningitis, paraparese/paraplegie, convulsies, zintuiglijke stoornissen. De frequentie van deze bijwerkingen is niet bekend.
Tabel van bijwerkingen
Systeem-/orgaanklasse volgens MedDRA | Frequentie niet bekend |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Infectie, opportunistische infecties, peritonitis*. |
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Leukocytose. |
Immuunsysteemaandoeningen | Overgevoeligheid voor geneesmiddelen (met inbegrip van anafylactische reacties en anafylactoïde reacties). |
Endocriene aandoeningen | Syndroom van Cushing, onderdrukking van de hypothalamus-hypofyse-bijnieras, steroïdonttrekkingssyndroom. |
Voedings- en stofwisselingsstoornissen | Metabole acidose, lipomatose, natriumretentie, vochtretentie, hypokaliëmische alkalose, dyslipidemie, verminderde glucosetolerantie, verhoogde insulinebehoefte (of behoefte aan orale bloedsuikerverlagende middelen bij diabetici), gestimuleerde eetlust (mogelijk met gewichtstoename tot gevolg). |
Psychische stoornissen | Affectieve stoornissen (inclusief depressieve stemming, euforische stemming, affectlabiliteit, geneesmiddelafhankelijkheid, zelfmoordgedachten), psychotische stoornis (inclusief manie, wanen, hallucinaties en schizofrenie), mentale stoornis, persoonlijkheidsveranderingen, verwarring, angst, stemmingswisselingen, abnormaal gedrag, slapeloosheid, prikkelbaarheid. |
Zenuwstelselaandoeningen | Epidurale lipomatose, verhoogde intracraniale druk (met discusoedeem [benigne intracraniale hypertensie]); convulsies, amnesie, cognitieve stoornis, duizeligheid, hoofdpijn. |
Oogaandoeningen | Chorioretinopathie; cataract, glaucoom (met eventuele schade aan de oogzenuw), exoftalmie, wazig zien (zie rubriek 4.4). |
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | Vertigo. |
Hartaandoeningen | Congestief hartfalen (bij gevoelige patiënten), ritmestoornissen, myocardruptuur na een myocardinfarct. |
Bloedvataandoeningen | Trombotische voorvallen, hypertensie, hypotensie, overmatig blozen. |
Ademhalingsstelsel-, borstkas-en mediastinumaandoeningen | Pulmonale embolie, hik. |
Maagdarmstelselaandoeningen | Ulcus pepticum (met risico op perforatie en bloeding), darmperforatie, maagbloeding, pancreatitis, ulceratieve oesofagitis, oesofagitis, opgezette buik, buikpijn, diarree, dyspepsie, misselijkheid, braken. |
Lever- en galaandoeningen | Hepatitis†, verhoogde leverenzymen (bijv. SGOT, SGPT). |
Huid- en onderhuidaandoeningen | Angio-oedeem, hirsutisme, petechiën, ecchymose, huidatrofie, erytheem, hyperhidrose, huidstriae, huideruptie, pruritus, urticaria, acne, hypopigmentatie van de huid, panniculitisβ. In geval van herhaalde subcutane injecties kan lokale atrofie op de injectieplaats worden waargenomen. |
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | Spierzwakte, myalgie, myopathie, spieratrofie, osteoporose, osteonecrose, pathologische fractuur, neuropathische artropathie, artralgie, groeivertraging. |
Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen | Onregelmatige maandstonden. |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Perifeer oedeem, vertraagde wondheling, vermoeidheid, malaise, reactie op de plaats van de injectie. |
Onderzoeken | Verhoogde calciumconcentratie in de urine, verlaagde kaliumconcentratie in het bloed, verhoogde intra-oculaire druk, verminderde koolhydraattolerantie, verhoogde ureumconcentratie in het bloed, verhoogd alanineaminotranferase, verhoogd aspartaataminotransferase, verhoogde alkalische fosfatase in het bloed, onderdrukking van reacties op huidtests. |
Letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties | Wervelcompressiefracturen, peesscheur. |
* Peritonitis kan het voornaamste teken of symptoom zijn van een maagdarmstelselaandoening zoals een perforatie, obstructie of pancreatitis (zie rubriek 4.4).
† Hepatitis werd gemeld in associatie met intraveineuse toediening (zie rubriek 4.4).
β Er zijn enkele gevallen van panniculitis gemeld na dosisverlaging of stopzetting van de behandeling, vooral na langdurige behandeling met hoge doseringen. Panniculitis komt vaker voor bij kinderen dan bij volwassenen en de meeste gevallen verdwijnen spontaan.
Pediatrische patiënten
Men verwacht dat de frequentie, het type en de ernst van de bijwerkingen bij kinderen hetzelfde zullen zijn als bij volwassenen.
Bij kinderen die een langdurige behandeling met glucocorticoïden krijgen, kan groeiremming optreden (zie rubriek 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen:
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
www.fagg.be - Afdeling Vigilantie:
Website: www.eenbijwerkingmelden.be
e-mail: adr@fagg-afmps.be
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pfizer NV/SA, Pleinlaan 17, 1050 Brussel, België
8. NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Solu‑Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) Act-O-Vial 40 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE061582
Solu‑Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) Act-O-Vial 125 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE061747
Solu‑Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) Act-O-Vial 250 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE145205
Solu‑Medrol 500 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE061993
Solu‑Medrol 1000 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE062002
Solu‑Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) 40 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE133761
Solu‑Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) 125 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE133847
Solu‑Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) 500 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE145214
Solu‑Medrol S.A.B. (= Sine Alcohol Benzylicus) 1000 mg Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie: BE145232
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
01/2026
BEL 26A16
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 0078360 | SOLU-MEDROL SAB ACT-O-VIAL 1X 125MG/2ML | H02AB04 | € 13,66 | - | Ja | € 2,7 | € 1,62 |
| 0081232 | SOLU-MEDROL FL INJ 1 X 500 MG | H02AB04 | € 33,17 | - | Ja | € 8,46 | € 5,03 |
| 0081240 | SOLU-MEDROL FL INJ 1 X 1000 MG | H02AB04 | € 53,43 | - | Ja | € 12,8 | € 7,85 |
| 0130336 | SOLU-MEDROL SAB ACT-O-VIAL 1 X 40MG/1ML | H02AB04 | € 7,93 | - | Ja | - | - |
| 0152884 | SOLU-MEDROL S A B VIAL 1 X 125 MG | H02AB04 | € 13,66 | - | Ja | € 2,7 | € 1,62 |
| 0153569 | SOLU-MEDROL S A B VIAL 3 X 40 MG | H02AB04 | € 13,11 | - | Ja | - | - |