1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Sandimmun 250 mg/5 ml concentraat voor oplossing voor infusie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Het concentraat voor oplossing voor infusie bevat 50 mg/ml. Elke ampul van 1 ml bevat 50 mg ciclosporine. Elke ampul van 5 ml bevat 250 mg ciclosporine.
Hulpstoffen met bekend effect:
Ethanol: 278 mg/ml. Sandimmun 50 mg/ml concentraat voor oplossing voor infusie bevat ongeveer 34% v/v ethanol (27,8% m/v ethanol).
Macrogolglycerolricinoleaat/polyoxyl-35 ricinusolie: 650 mg/ml.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Concentraat voor oplossing voor infusie
Helder, bruingeel, olieachtig concentraat.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Transplantatie-indicaties
Transplantatie van solide organen
Preventie van transplantaatafstoting na transplantatie van solide organen.
Behandeling van cellulaire transplantaatafstoting bij patiënten die voorheen andere immunosuppressiva hebben gekregen.
Beenmergtransplantatie
Preventie van transplantaatafstoting na allogene beenmerg- en stamceltransplantatie.
Profylaxe of behandeling van "graft-versus-host-disease" (GVHD).
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De aangegeven doseringen voor orale toediening zijn uitsluitend als richtlijn bedoeld.
Sandimmun mag alleen worden voorgeschreven door of in nauwe samenwerking met een arts die ervaring heeft met immunosuppressieve behandelingen en/of orgaantransplantatie.
Transplantatie
Transplantatie van solide organen
De aanbevolen dosis Sandimmun concentraat voor oplossing voor infusie is ongeveer een derde van de overeenkomende orale dosis en het wordt aanbevolen patiënten zo snel mogelijk over te schakelen op orale therapie.
Als referentie geldt dat de behandeling met Sandimmun of Neoral-Sandimmun moet gestart worden binnen de 12 uur voorafgaand aan de chirurgische ingreep, met een initiële orale dosis van 10 tot 15 mg/kg toegediend in twee afzonderlijke doses. Deze dosis moet worden aangehouden als de dagelijkse dosis gedurende 1 tot 2 weken na de ingreep en daarna geleidelijk worden verminderd aan de hand van de bloedwaarden in overeenstemming met lokale immunosuppressieve protocollen tot een aanbevolen onderhoudsdosis is bereikt van ongeveer 2 tot 6 mg/kg, toegediend in twee afzonderlijke doses.
Wanneer oraal Sandimmun of Neoral-Sandimmun wordt toegediend samen met andere immunosuppressiva (bv. met corticosteroïden of als onderdeel van een drie- of viervoudige geneesmiddelentherapie), kunnen lagere doses gebruikt worden (bv. 3 tot 6 mg/kg toegediend in 2 afzonderlijke doses voor de initiële behandeling).
Beenmergtransplantatie
De initiële dosis moet gegeven worden op de dag vóór de transplantatie. In de meeste gevallen wordt hiervoor de voorkeur gegeven aan Sandimmun concentraat voor oplossing voor infusie. De aanbevolen intraveneuze dosering is 3 tot 5 mg/kg/dag. De infusie wordt voortgezet met deze dosis gedurende de periode direct na de transplantatie tot twee weken, voordat overgeschakeld wordt op orale onderhoudstherapie met Sandimmun of Neoral-Sandimmun in een dagelijkse orale dosis van ongeveer 12,5 mg/kg toegediend in twee afzonderlijke doses.
De onderhoudsbehandeling moet gedurende ten minste 3 maanden worden voortgezet (en bij voorkeur gedurende 6 maanden) voordat de dosis geleidelijk tot 0 verminderd wordt, 1 jaar na de transplantatie.
Als oraal Sandimmun of Neoral-Sandimmun gebruikt wordt om de behandeling te initiëren, is de aanbevolen dagelijkse dosis 12,5 tot 15 mg/kg toegediend in twee afzonderlijke doses, te starten op de dag voor de transplantatie.
Hogere doses van oraal Sandimmun of Neoral-Sandimmun of toepassing van Sandimmun intraveneuze behandeling kunnen noodzakelijk zijn in geval van gastro-intestinale stoornissen die de absorptie kunnen verminderen.
Bij sommige patiënten treedt GVHD op na stopzetten van de ciclosporinebehandeling, maar doorgaans reageren ze gunstig op het herstarten van de behandeling. In dergelijke gevallen moet een initiële, orale oplaaddosis van 10 tot 12,5 mg/kg gegeven worden, gevolgd door dagelijkse orale toediening van de onderhoudsdosis die voordien toereikend was. Voor de behandeling van een lichte, chronische GVHD dienen lage doses van Sandimmun te worden toegediend.
Speciale populaties
Patiënten met een nierfunctiestoornis
Alle indicaties
Ciclosporine ondergaat een minimale eliminatie via de nieren en de farmacokinetiek ervan wordt niet in sterke mate beïnvloed door een nierfunctiestoornis (zie rubriek 5.2). Vanwege het nefrotoxisch potentieel (zie rubriek 4.8) is een nauwkeurige controle van de nierfunctie echter aanbevolen (zie rubriek 4.4).
Patiënten met een leverfunctiestoornis
Ciclosporine wordt extensief gemetaboliseerd in de lever. Bij patiënten met leverinsufficiëntie kan de blootstelling aan ciclosporine met ongeveer een factor 2 tot 3 toenemen. Een dosisverlaging kan nodig zijn bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis om de bloedwaarden binnen het aanbevolen doelbereik te houden (zie rubrieken 4.4 en 5.2). Het is aanbevolen om de ciclosporine-bloedwaarden te controleren tot stabiele waarden bereikt zijn.
Pediatrische patiënten
In klinische studies werden kinderen vanaf 1 jaar geïncludeerd. In verschillende studies hadden pediatrische patiënten hogere doses per kg lichaamsgewicht nodig dan volwassenen en tolereerden ze dit ook.
Het gebruik van Sandimmun bij kinderen voor niet-transplantatie-indicaties andere dan nefrotisch syndroom kan niet worden aanbevolen (zie rubriek 4.4).
Ouderen (leeftijd 65 jaar en ouder)
Ervaring met Sandimmun bij ouderen is beperkt.
In klinische studies met ciclosporine voor reumatoïde artritis ontwikkelden patiënten van 65 jaar of ouder vaker systolische hypertensie gedurende de behandeling en vertoonden vaker een toename van serumcreatinine ≥ 50% boven de uitgangswaarde na 3 tot 4 maanden behandeling.
De dosis voor oudere patiënten moet voorzichtig bepaald worden, meestal startend bij de ondergrens van de dosismarge, rekening houdend met de hogere frequentie van lever-, nier- of hartfunctiestoornissen en met bijkomende aandoeningen of andere geneesmiddelen en een hogere gevoeligheid voor infecties.
Wijze van toediening
Intraveneuze toediening.
De soorten containers die geschikt zijn voor de infuusoplossing worden vermeld in rubriek 6.2.
Gezien het risico op anafylaxie (zie rubriek 4.4) moet het gebruik van Sandimmun concentraat voor oplossing voor infusie worden voorbehouden voor patiënten met een orgaantransplantaat die niet in staat zijn het geneesmiddel oraal in te nemen (bijv. kort na een operatie) of bij wie de absorptie van de orale vormen verstoord zou kunnen zijn tijdens perioden van maag-darmaandoeningen. In dergelijke gevallen wordt aanbevolen om zo snel mogelijk als haalbaar is over te schakelen op orale toediening. Een ander goed onderbouwd gebruik van het concentraat voor oplossing voor infusie is de initiële behandeling van patiënten die een beenmergtransplantatie ondergaan.
Het concentraat voor oplossing voor infusie moet worden verdund in een verhouding 1:20 tot 1:100 met fysiologische zoutoplossing of 5% glucose met behulp van een geschikte aseptische techniek en moet als een langzame intraveneuze infusie worden toegediend in 2 tot 6 uur.
Te nemen voorzorgen voorafgaand aan gebruik of toediening van het geneesmiddel
Voor instructies over de bereiding en behandeling van het geneesmiddel, zie rubriek 6.6.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).
Combinatie met producten die Hypericum perforatum (Sint-Janskruid) bevatten (zie rubriek 4.5).
Combinatie met geneesmiddelen die substraat zijn voor de ‘multidrug efflux transporter’ P-glycoproteïne (P-gp) en organisch-aniontransporteiwitten (OATP) en bij welke verhoogde plasmaconcentraties in verband zijn gebracht met ernstige en/of levensbedreigende voorvallen, bv. bosentan, dabigatranetexilaat en aliskiren (zie rubriek 4.5).
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De voornaamste bijwerkingen waargenomen in klinische studies en geassocieerd met de toediening van ciclosporine omvatten nierdisfunctie, tremor, hirsutisme, hypertensie, diarree, anorexia, misselijkheid en braken.
Veel bijwerkingen die zijn geassocieerd met ciclosporinetherapie zijn dosisafhankelijk en reageren op een verlaging van de dosis. In de verschillende indicaties is het algemene spectrum van bijwerkingen in essentie gelijk, echter met verschillen op gebied van hun incidentie en hun ernst. Gezien de hogere aanvangsdoses en de langere onderhoudsbehandeling vereist na een transplantatie, zijn de bijwerkingen meer frequent en gewoonlijk ernstiger bij transplantatiepatiënten dan bij patiënten behandeld voor andere indicaties.
Anafylactoïde reacties zijn waargenomen na intraveneuze toediening (zie rubriek 4.4).
Infecties en parasitaire aandoeningen
Patiënten die immunosuppressieve behandelingen krijgen, inclusief ciclosporine en ciclosporine-bevattende behandelingen, hebben een verhoogd risico op infecties (viraal, bacterieel, schimmel, parasitair) (zie rubriek 4.4). Zowel gegeneraliseerde als plaatselijke infecties kunnen voorkomen. Reeds bestaande infecties kunnen eveneens verergeren en reactivatie van polyomavirus-infecties kunnen leiden tot polyomavirus-geassocieerde nefropathie (PVAN) of tot JC virus-geassocieerde progressieve multifocale leukopathie. Ernstige en/of fatale gevallen werden gemeld.
Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen)
Patiënten die immunosuppressieve behandelingen krijgen, inclusief ciclosporine en ciclosporine-bevattende behandelingen, hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van lymfomen of lymfoproliferatieve aandoeningen en andere maligniteiten, vooral van de huid. Het voorkomen van maligniteiten neemt toe met de intensiteit en de duur van de behandeling (zie rubriek 4.4). Sommige maligniteiten kunnen fataal zijn.
Getabelleerde samenvatting van de bijwerkingen uit klinische studies
Bijwerkingen uit klinische studies (Tabel 1) zijn gerangschikt volgens Systeem/orgaanklassen volgens gegevensbank MedDRA. Binnen elke systeem/orgaanklasse zijn de bijwerkingen gerangschikt volgens frequentie, met de meest frequente bijwerkingen eerst. Binnen elke frequentiegroep zijn de bijwerkingen gerangschikt in volgorde van afnemende ernst. Bovendien is de overeenkomstige frequentiecategorie voor elke bijwerking gebaseerd op de volgende conventie (CIOMS III): zeer vaak (≥ 1/10); vaak (≥ 1/100, < 1/10); soms (≥ 1/1000, < 1/100); zelden (≥ 1/10000, < 1/1000) zeer zelden (< 1/10000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Tabel 2: Bijwerkingen uit klinische studies
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | |
Vaak | Leukopenie |
Soms | Trombocytopenie, anemie |
Zelden | Hemolytisch uremisch syndroom, micro-angiopathische hemolytische anemie |
Niet bekend* | Trombotische microangiopathie, trombotische trombocytopenische purpura |
Voedings- en stofwisselingsstoornissen | |
Zeer vaak | Hyperlipidemie |
Vaak | Hyperglykemie, anorexie, hyperurikemie, hyperkaliëmie, hypomagnesiëmie |
Zenuwstelselaandoeningen | |
Zeer vaak | Tremor, hoofdpijn |
Vaak | Convulsies, paresthesie |
Soms | Encefalopathie met inbegrip van Posterieur Reversibel Encefalopathiesyndroom (PRES), klachten en symptomen zoals convulsies, verwardheid, desoriëntatie, verminderde aanspreekbaarheid, agitatie, slapeloosheid, visusstoornissen, corticale blindheid, coma, parese, cerebellaire ataxie |
Zelden | Motorische polyneuropathie |
Zeer Zelden | Oedeem van de optische discus, waaronder papillair oedeem, gepaard gaande met eventuele gezichtsstoornissen secundair aan benigne intracraniële hypertensie |
Niet bekend * | Migraine |
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | |
Niet bekend* | Gehoorstoornissen# |
Bloedvataandoeningen | |
Zeer vaak | Hypertensie |
Vaak | Flushing |
Maagdarmstelselaandoeningen | |
Vaak | Misselijkheid, braken, ongemak van de buik, buikpijn, diarree, tandvleeshyperplasie, maagzweer |
Zelden | Pancreatitis |
Lever- en galaandoeningen | |
Vaak | Abnormale leverfunctie (zie rubriek 4.4) |
Niet bekend * | Hepatotoxiciteit en leverschade met inbegrip van cholestase, geelzucht, hepatitis en leverfalen, soms met fatale afloop (zie rubriek 4.4) |
Huid- en onderhuidaandoeningen | |
Zeer vaak | Hirsutisme |
Vaak | Acne, hypertrichose |
Soms | Allergische rash |
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | |
Vaak | Myalgie, spierkrampen |
Zelden | Spierzwakte, myopathie |
Niet bekend* | Pijn in de onderste extremiteiten |
Nier- en urinewegaandoeningen | |
Zeer vaak | Verstoorde nierfunctie (zie rubriek 4.4) |
Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen | |
Zelden | Menstruatiestoornissen, gynaecomastie |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | |
Vaak | Pyrexie, vermoeidheid |
Soms | Oedeem, gewichtstoename |
* Bijwerkingen gemeld uit postmarketingervaring, waarbij de bijwerkingenfrequentie niet bekend is doordat de grootte van de populatie onbekend is.
# In de fase na het in de handel brengen is bij patiënten met een hoge concentratie ciclosporine in het bloed melding gemaakt van gehoorstoornissen.
Andere bijwerkingen uit postmarketingervaring
Er zijn opgevraagde en spontane postmarketingmeldingen geweest van hepatotoxiciteit en leverschade, waaronder cholestase, geelzucht, hepatitis en leverfalen bij patiënten behandeld met ciclosporine. De meeste meldingen betroffen patiënten met significante comorbiditeiten, onderliggende aandoeningen en andere complicerende factoren waaronder complicaties van infecties en bijkomende medicatie die hepatotoxisch kan zijn. In sommige gevallen, voornamelijk bij transplantatiepatiënten, werd een fatale afloop gemeld (zie rubriek 4.4).
Acute en chronische nefrotoxiciteit
Patiënten die een therapie krijgen met calcineurine-inhibitoren (CNI), met inbegrip van ciclosporine en ciclosporine-bevattende behandelingen, hebben een verhoogd risico op acute of chronische nefrotoxiciteit. Er zijn meldingen geweest in klinische studies en uit postmarketingervaring, geassocieerd met het gebruik van Sandimmun. Gevallen van acute nefrotoxiciteit meldden verstoringen van de ion-homeostase, zoals hyperkaliëmie, hypomagnesiëmie en hyperurikemie. Gevallen die chronische morfologische wijzigingen melden, omvatten arteriolaire hyalinose, tubulaire atrofie en interstitiële fibrose (zie rubriek 4.4).
Pijn in de onderste extremiteiten
In samenhang met het gebruik van ciclosporine zijn er geïsoleerde gevallen gemeld van pijn in de onderste extremiteiten. Pijn in de onderste extremiteiten is ook waargenomen als onderdeel van het door calcineurine-inhibitoren geïndiceerde pijnsyndroom (CIPS, Calcineurin-Inhibitor Induced Pain Syndrome).
Pediatrische patiënten
In klinische studies werden kinderen vanaf 1 jaar geïncludeerd, waarbij standaard ciclosporinedosering werd gebruikt met een veiligheidsprofiel vergelijkbaar met het veiligheidsprofiel bij volwassenen.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via:
België |
Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten |
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
N.V. Novartis Pharma
Medialaan 40, bus 1
B-1800 Vilvoorde
België
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
BE124546 (5 ml)
BE477786 (1 ml)
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
02/2025
Goedkeuringsdatum : 01/2026
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 0861187 | SANDIMMUN AMP PR PERF 10X 250MG/5ML | L04AD01 | € 60,35 | - | Ja | € 2 | € 1 |