Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie rubriek 4.8 voor het rapporteren van bijwerkingen.
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Revlimid 2,5 mg harde capsules
Revlimid 5 mg harde capsules
Revlimid 7,5 mg harde capsules
Revlimid 10 mg harde capsules
Revlimid 15 mg harde capsules
Revlimid 20 mg harde capsules
Revlimid 25 mg harde capsules
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Revlimid 2,5 mg harde capsules
Elke capsule bevat 2,5 mg lenalidomide.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke capsule bevat 73,5 mg lactose (als watervrij lactose).
Revlimid 5 mg harde capsules
Elke capsule bevat 5 mg lenalidomide.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke capsule bevat 147 mg lactose (als watervrij lactose).
Revlimid 7,5 mg harde capsules
Elke capsule bevat 7,5 mg lenalidomide.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke capsule bevat 144,5 mg lactose (als watervrij lactose).
Revlimid 10 mg harde capsules
Elke capsule bevat 10 mg lenalidomide.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke capsule bevat 294 mg lactose (als watervrij lactose).
Revlimid 15 mg harde capsules
Elke capsule bevat 15 mg lenalidomide.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke capsule bevat 289 mg lactose (als watervrij lactose).
Revlimid 20 mg harde capsules
Elke capsule bevat 20 mg lenalidomide.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke capsule bevat 244,5 mg lactose (als watervrij lactose).
Revlimid 25 mg harde capsules
Elke capsule bevat 25 mg lenalidomide.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke capsule bevat 200 mg lactose (als watervrij lactose).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Harde capsule.
Revlimid 2,5 mg harde capsules
Blauwgroen/witte capsules, maat 4, 14,3 mm met “REV 2.5 mg” erop gedrukt.
Revlimid 5 mg harde capsules
Witte capsules, maat 2, 18,0 mm, met “REV 5 mg” erop gedrukt.
Revlimid 7,5 mg harde capsules
Lichtgeel/witte capsules, maat 2, 18,0 mm, met “REV 7.5 mg” erop gedrukt.
Revlimid 10 mg harde capsules
Blauwgroene/lichtgele capsules, maat 0, 21,7 mm, met “REV 10 mg” erop gedrukt.
Revlimid 15 mg harde capsules
Lichtblauwe/witte capsules, maat 0, 21,7 mm, met “REV 15 mg” erop gedrukt.
Revlimid 20 mg harde capsules
Blauwgroene/lichtblauwe capsules, maat 0, 21,7 mm met “REV 20 mg” erop gedrukt.
Revlimid 25 mg harde capsules
Witte capsules, maat 0, 21,7 mm, met “REV 25 mg” erop gedrukt.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Multipel myeloom
Revlimid als monotherapie is geïndiceerd voor de onderhoudsbehandeling van volwassen patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom die autologe stamceltransplantatie hebben ondergaan.
Revlimid als combinatietherapie met dexamethason (Rd), of bortezomib en dexamethason (RVd), of melfalan en prednison (MPR) (zie rubriek 4.2) is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met eerder onbehandeld multipel myeloom die niet in aanmerking komen voor transplantatie.
Revlimid in combinatie met dexamethason is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met multipel myeloom die eerder minimaal één andere behandeling hebben gehad.
Myelodysplastisch syndroom
Revlimid als monotherapie is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met transfusie-afhankelijke anemie als gevolg van laag of intermediair 1 risico myelodysplastisch syndroom geassocieerd met een geïsoleerde 5q-deletie cytogenetische afwijking wanneer andere therapeutische opties onvoldoende of inadequaat zijn.
Mantelcellymfoom
Revlimid als monotherapie is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met recidiverend of refractair mantelcellymfoom (zie rubriek 4.4 en 5.1).
Folliculair lymfoom
Revlimid in combinatie met rituximab (anti-CD20-antilichaam) is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met eerder behandeld folliculair lymfoom (graad 1‑3a).
4.2 Dosering en wijze van toediening
Behandeling met Revlimid dient onder toezicht te staan van een arts die ervaring heeft met het gebruik van antikankerbehandelingen.
Voor alle hieronder vermelde indicaties:
- De dosis wordt aangepast op basis van klinische bevindingen en laboratoriumuitslagen (zie rubriek 4.4).
- Aanpassingen van de dosis, tijdens behandeling en bij opnieuw starten van de behandeling, worden aanbevolen voor het onder controle brengen van trombocytopenie graad 3 of 4, neutropenie, of bij andere toxiciteit graad 3 of 4 die geacht wordt verband te houden met lenalidomide.
- In geval van neutropenie dient bij de behandeling van patiënten het gebruik van groeifactoren te worden overwogen.
- Als na het vergeten van een dosis minder dan 12 uur is verstreken, kan de patiënt de dosis alsnog innemen. Als er meer dan 12 uur is verstreken na het vergeten van een dosis op het normale tijdstip, moet de patiënt de dosis niet meer innemen, maar de volgende dosis de volgende dag op het normale tijdstip innemen.
Dosering
Nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom (NDMM)
- Lenalidomide in combinatie met dexamethason tot ziekteprogressie bij patiënten die niet in aanmerking komen voor transplantatie
De behandeling met lenalidomide mag niet worden gestart als het absolute aantal neutrofielen (Absolute Neutrophil Count, ANC) < 1,0 x 109/l en/of het aantal trombocyten < 50 x 109/l is.
Aanbevolen dosis
De aanbevolen aanvangsdosis lenalidomide bedraagt eenmaal per dag oraal 25 mg op dag 1 tot 21 van herhaalde cycli van 28 dagen.
De aanbevolen dosis dexamethason is eenmaal per dag oraal 40 mg op dag 1, 8, 15 en 22 van herhaalde cycli van 28 dagen. Patiënten kunnen de behandeling met lenalidomide en dexamethason voortzetten totdat ziekteprogressie of intolerantie optreedt.
- Stappen dosisverlaging
| Lenalidomidea | Dexamethasona |
Aanvangsdosis | 25 mg | 40 mg |
Dosisniveau -1 | 20 mg | 20 mg |
Dosisniveau -2 | 15 mg | 12 mg |
Dosisniveau -3 | 10 mg | 8 mg |
Dosisniveau -4 | 5 mg | 4 mg |
Dosisniveau -5 | 2,5 mg | Niet van toepassing |
ª Dosisverlaging kan voor beide producten onafhankelijk worden toegepast
- Trombocytopenie
Verandering aantal trombocyten | Aanbevolen handelswijze |
Afname tot < 25 x 109/l | Behandeling met lenalidomide stoppen voor de rest van de cyclusa |
Herstel tot ≥ 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide bij de volgende cyclus hervatten met één dosisniveau lager |
ª Indien dosisbeperkende toxiciteit (dose limiting toxicity, DLT) optreedt op dag 15 van de lopende cyclus, wordt de behandeling met lenalidomide gedurende ten minste de rest van de lopende cyclus van 28 dagen onderbroken.
- Absoluut aantal neutrofielen (ANC, Absolute Neutrophil Count) - neutropenie
Verandering ANC | Aanbevolen handelswijzea |
Eerste afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 1 x 109/l wanneer neutropenie de enige waargenomen toxiciteit is | Behandeling met lenalidomide hervatten met eenmaal per dag de aanvangsdosis |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l wanneer dosisafhankelijke hematologische toxiciteiten anders dan neutropenie zijn waargenomen | Behandeling met lenalidomide hervatten met eenmaal per dag dosisniveau -1 |
Voor elke volgende afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager eenmaal per dag |
a Als neutropenie de enige toxiciteit is bij welk dosisniveau dan ook, dien dan naargelang het oordeel van de arts granulocyte colony-stimulating factor (G-CSF) toe en handhaaf het dosisniveau van lenalidomide.
Voor wat betreft hematologische toxiciteit kan de dosis lenalidomide opnieuw ingesteld worden naar één dosisniveau hoger (tot aan de aanvangsdosis) na een verbetering van de beenmergfunctie (geen hematologische toxiciteit gedurende ten minste 2 opeenvolgende cycli: ANC ≥ 1,5 x 109/l met een trombocytentelling van ≥ 100 x 109/l bij aanvang van een nieuwe cyclus).
- Lenalidomide in combinatie met bortezomib en dexamethason gevolgd door lenalidomide en dexamethason tot ziekteprogressie bij patiënten die niet in aanmerking komen voor transplantatie
Aanvankelijke behandeling: lenalidomide in combinatie met bortezomib en dexamethason
De behandeling met lenalidomide in combinatie met bortezomib en dexamethason mag niet worden gestart als het ANC < 1,0 x 109/l en/of het aantal trombocyten < 50 x 109/l is.
De aanbevolen aanvangsdosis lenalidomide bedraagt 25 mg oraal eenmaal daags op dag 1‑14 van iedere cyclus van 21 dagen, in combinatie met bortezomib en dexamethason. Bortezomib dient te worden toegediend door middel van subcutane injectie (1,3 mg/m2 lichaamsoppervlak) tweemaal per week op dag 1, 4, 8 en 11 van iedere cyclus van 21 dagen. Raadpleeg voor meer informatie over de dosis, het schema en de dosisaanpassingen van geneesmiddelen die samen met lenalidomide worden toegediend rubriek 5.1 en de desbetreffende Samenvatting van de productkenmerken.
Er worden tot acht behandelcycli van 21 dagen (aanvankelijke behandeling van 24 weken) aanbevolen.
Vervolgbehandeling: lenalidomide in combinatie met dexamethason tot progressie
Zet de behandeling met lenalidomide 25 mg oraal eenmaal daags voort op dag 1‑21 van herhaalde cycli van 28 dagen in combinatie met dexamethason. De behandeling dient te worden voortgezet tot ziekteprogressie of onaanvaardbare toxiciteit.
- Stappen dosisverlaging
| Lenalidomidea |
Aanvangsdosis | 25 mg |
Dosisniveau -1 | 20 mg |
Dosisniveau -2 | 15 mg |
Dosisniveau -3 | 10 mg |
Dosisniveau -4 | 5 mg |
Dosisniveau -5 | 2,5 mg |
ª Dosisverlaging kan voor alle producten onafhankelijk worden toegepast
- Trombocytopenie
Verandering aantal trombocyten | Aanbevolen handelswijze |
Afname tot < 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met dosisniveau -1 eenmaal per dag |
Voor elke volgende afname tot < 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager eenmaal per dag |
- Absoluut aantal neutrofielen (ANC, Absolute Neutrophil Count) - neutropenie
Verandering ANC | Aanbevolen handelswijzea |
Eerste afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 1 x 109/l wanneer neutropenie de enige waargenomen toxiciteit is | Behandeling met lenalidomide hervatten met eenmaal per dag de aanvangsdosis |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l wanneer dosisafhankelijke hematologische toxiciteiten anders dan neutropenie zijn waargenomen | Behandeling met lenalidomide hervatten met dosisniveau -1 eenmaal per dag |
Voor elke volgende afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager eenmaal per dag. |
a Als neutropenie de enige toxiciteit is bij welk dosisniveau dan ook, dien dan naargelang het oordeel van de arts granulocyte colony-stimulating factor (G-CSF) toe en handhaaf het dosisniveau van lenalidomide.
- Lenalidomide in combinatie met melfalan en prednison gevolgd door onderhoudsbehandeling met lenalidomide bij patiënten die niet in aanmerking komen voor transplantatie
De behandeling met lenalidomide mag niet worden gestart als het ANC < 1,5 x 109/l is en/of het aantal trombocyten < 75 x 109/l is.
Aanbevolen dosis
De aanbevolen aanvangsdosis bedraagt 10 mg lenalidomide eenmaal daags oraal op dag 1 tot 21 van herhaalde cycli van 28 dagen tot maximaal 9 cycli, 0,18 mg/kg melfalan oraal op dag 1 tot 4 van herhaalde cycli van 28 dagen, 2 mg/kg prednison oraal op dag 1 tot 4 van herhaalde cycli van 28 dagen. Patiënten die 9 cycli hebben voltooid of die de combinatietherapie niet kunnen voltooien vanwege intolerantie worden behandeld met monotherapie met lenalidomide als volgt: in een orale dosis van 10 mg eenmaal daags op dag 1 tot 21 van herhaalde cycli van 28 dagen totdat ziekteprogressie optreedt.
- Stappen dosisverlaging
| Lenalidomide | Melfalan | Prednison |
Aanvangsdosis | 10 mgª | 0,18 mg/kg | 2 mg/kg |
Dosisniveau -1 | 7,5 mg | 0,14 mg/kg | 1 mg/kg |
Dosisniveau -2 | 5 mg | 0,10 mg/kg | 0,5 mg/kg |
Dosisniveau -3 | 2,5 mg | Niet van toepassing | 0,25 mg/kg |
ª Als neutropenie de enige toxiciteit is bij welk dosisniveau dan ook, dien dan granulocyte-colony stimulating factor (G-CSF) toe en behoud het dosisniveau van lenalidomide
- Trombocytopenie
Verandering aantal trombocyten | Aanbevolen handelswijze |
Daling naar < 25 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 25 x 109/l | Behandeling met lenalidomide en melfalan hervatten met dosisniveau -1 |
Voor elke volgende afname tot < 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager (dosisniveau -2 of -3) eenmaal per dag. |
- Absoluut aantal neutrofielen (ANC, Absolute Neutrophil Count) - neutropenie
Verandering ANC | Aanbevolen handelswijzea |
Eerste afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l wanneer neutropenie de enige waargenomen toxiciteit is | Behandeling met lenalidomide hervatten met eenmaal per dag de aanvangsdosis |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l wanneer dosisafhankelijke hematologische toxiciteiten anders dan neutropenie zijn waargenomen | Behandeling met lenalidomide hervatten met eenmaal per dag dosisniveau -1 |
Voor elke volgende afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager eenmaal per dag. |
a Als neutropenie de enige toxiciteit is bij welk dosisniveau dan ook, dien dan naargelang het oordeel van de arts granulocyte colony-stimulating factor (G-CSF) toe en handhaaf het dosisniveau van lenalidomide.
- Lenalidomide-onderhoudsbehandeling bij patiënten die autologe stamceltransplantatie (ASCT) hebben ondergaan
Lenalidomide-onderhoudsbehandeling dient te worden gestart na adequaat hematologisch herstel na ASCT bij patiënten die geen tekenen van progressie vertonen. Lenalidomide mag niet worden gestart als het ANC < 1,0 x 109/l en/of het aantal trombocyten < 75 x 109/l is.
Aanbevolen dosis
De aanbevolen aanvangsdosis lenalidomide bedraagt eenmaal per dag oraal 10 mg op continue basis (op dag 1‑28 van herhaalde cycli van 28 dagen) totdat ziekteprogressie of intolerantie optreedt. Na 3 cycli van lenalidomide-onderhoudsbehandeling kan de dosis worden verhoogd tot eenmaal per dag oraal 15 mg indien dit wordt verdragen.
- Stappen dosisverlaging
| Aanvangsdosis (10 mg) | Indien de dosis werd verhoogd (15 mg)a |
Dosisniveau ‑1 | 5 mg | 10 mg |
Dosisniveau ‑2 | 5 mg (dag 1‑21 om de 28 dagen) | 5 mg |
Dosisniveau ‑3 | Niet van toepassing | 5 mg (dag 1‑21 om de 28 dagen) |
| Verlaag de dosis niet verder dan 5 mg (dag 1‑21 om de 28 dagen) | |
a Na 3 cycli van lenalidomide-onderhoudsbehandeling kan de dosis worden verhoogd tot eenmaal per dag oraal 15 mg indien dit wordt verdragen.
- Trombocytopenie
Verandering aantal trombocyten | Aanbevolen handelswijze |
Afname tot < 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met dosisniveau ‑1 eenmaal per dag |
Voor elke volgende afname tot < 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager eenmaal per dag |
- Absoluut aantal neutrofielen (ANC, Absolute Neutrophil Count) - neutropenie
Verandering ANC | Aanbevolen handelswijzea |
Afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met dosisniveau -1 eenmaal per dag |
Voor elke volgende afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager eenmaal per dag |
a Als neutropenie de enige toxiciteit is bij welk dosisniveau dan ook, dien dan naargelang het oordeel van de arts granulocyte colony-stimulating factor (G-CSF) toe en handhaaf het dosisniveau van lenalidomide.
Multipel myeloom met ten minste één eerdere behandeling
De behandeling met lenalidomide mag niet worden gestart als het ANC < 1,0 x 109/l en/of het aantal trombocyten < 75 x 109/l of afhankelijk van de infiltratie van beenmerg door plasmacellen - het aantal trombocyten < 30 x 109/l is.
Aanbevolen dosis
De aanbevolen aanvangsdosis lenalidomide bedraagt eenmaal per dag oraal 25 mg op dag 1 tot 21 van herhaalde cycli van 28 dagen. De aanbevolen dosis dexamethason is eenmaal per dag oraal 40 mg op dag 1 tot 4, 9 tot 12 en 17 tot 20 van elke cyclus van 28 dagen gedurende de eerste 4 behandelcycli en vervolgens eenmaal per dag 40 mg op dag 1 tot 4 van elke cyclus van 28 dagen.
Voorschrijvende artsen dienen zorgvuldig te overwegen welke dosis dexamethason dient te worden gebruikt, waarbij rekening wordt gehouden met de conditie en ziektestatus van de patiënt.
- Stappen dosisverlaging
Aanvangsdosis | 25 mg |
Dosisniveau -1 | 15 mg |
Dosisniveau -2 | 10 mg |
Dosisniveau -3 | 5 mg |
- Trombocytopenie
Verandering aantal trombocyten | Aanbevolen handelswijze |
Eerste afname tot < 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met dosisniveau -1 |
Voor elke volgende afname tot < 30 x109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 30 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager (dosisniveau -2 of -3) eenmaal per dag. Verlaag de dosis niet verder dan tot eenmaal per dag 5 mg. |
- Absoluut aantal neutrofielen (ANC, Absolute Neutrophil Count) - neutropenie
Verandering ANC | Aanbevolen handelswijzea |
Eerste afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l wanneer neutropenie de enige waargenomen toxiciteit is | Behandeling met lenalidomide hervatten met eenmaal per dag de aanvangsdosis |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l wanneer dosisafhankelijke hematologische toxiciteiten anders dan neutropenie zijn waargenomen | Behandeling met lenalidomide hervatten met eenmaal per dag dosisniveau -1 |
Voor elke volgende afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met één dosisniveau lager (dosisniveau -1, -2 of ‑3) eenmaal per dag. Verlaag de dosis niet verder dan tot eenmaal per dag 5 mg. |
a Als neutropenie de enige toxiciteit is bij welk dosisniveau dan ook, dien dan naargelang het oordeel van de arts granulocyte colony-stimulating factor (G-CSF) toe en handhaaf het dosisniveau van lenalidomide.
Myelodysplastisch syndroom (MDS)
Behandeling met lenalidomide mag niet worden gestart wanneer het ANC < 0,5 x 109/l en/of het aantal trombocyten < 25 x 109/l is.
Aanbevolen dosis
De aanbevolen aanvangsdosis lenalidomide bedraagt eenmaal per dag oraal 10 mg op dag 1 tot 21 van herhaalde cycli van 28 dagen.
- Stappen dosisverlaging
Aanvangsdosis | 10 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau -1 | 5 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 28 van elke 28 dagen |
Dosisniveau -2 | 2,5 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 28 van elke 28 dagen |
Dosisniveau -3 | 2,5 mg om de dag in de periode van dag 1 tot 28 van elke 28 dagen |
- Trombocytopenie
Verandering aantal trombocyten | Aanbevolen handelswijze |
Afname tot < 25 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 25 x 109/l - < 50 x 109/l bij ten minste 2 gelegenheden gedurende ≥ 7 dagen of wanneer het aantal trombocyten zich op enig moment herstelt tot ≥ 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met het eerste lagere dosisniveau (dosisniveau -1, -2 of ‑3) |
- Absoluut aantal neutrofielen (ANC, Absolute Neutrophil Count) - neutropenie
Verandering ANC | Aanbevolen handelswijze |
Afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met het eerste lagere dosisniveau (dosisniveau -1, -2 of ‑3) |
Stoppen met lenalidomide
Patiënten zonder ten minste een lichte erytroïde respons binnen 4 maanden na aanvang van de behandeling, aangetoond door een verlaging van ten minste 50% in transfusievereisten of, indien niet getransfundeerd, een 1 g/dl verhoging in hemoglobine, dienen te stoppen met de behandeling met lenalidomide.
Mantelcellymfoom
Aanbevolen dosis
De aanbevolen aanvangsdosis lenalidomide bedraagt eenmaal per dag oraal 25 mg op dag 1 tot 21 van herhaalde cycli van 28 dagen.
- Stappen dosisverlaging
Aanvangsdosis | 25 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau ‑1 | 20 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau ‑2 | 15 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau ‑3 | 10 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau ‑4 | 5 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau ‑5 | 2,5 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen1 |
1 - In landen waar de 2,5 mg capsule verkrijgbaar is.
- Trombocytopenie
Verandering aantal trombocyten | Aanbevolen handelswijze |
Afname tot < 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken en compleet bloedbeeld (CBC) ten minste om de 7 dagen uitvoeren |
Herstel tot ≥ 60 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met het eerste lagere dosisniveau (dosisniveau ‑1) |
Voor elke volgende afname tot minder dan 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken en CBC ten minste om de 7 dagen uitvoeren |
- Absoluut aantal neutrofielen (ANC, Absolute Neutrophil Count) - neutropenie
Verandering ANC | Aanbevolen handelswijze |
Afname tot < 1 x 109/l gedurende ten minste 7 dagen of | Behandeling met lenalidomide onderbreken en CBC ten minste om de 7 dagen uitvoeren |
Herstel tot ≥ 1 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met het eerste lagere dosisniveau (dosisniveau ‑1) |
Voor elke volgende afname tot minder dan 1 x 109/l gedurende ten minste 7 dagen of afname tot < 1 x 109/l met geassocieerde koorts (lichaamstemperatuur ≥ 38,5°C) of afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken |
Herstel tot ≥ 1 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met het eerste lagere dosisniveau (dosisniveau ‑2, ‑3, ‑4, ‑5). Verlaag de dosis niet verder dan dosisniveau ‑5 |
Folliculair lymfoom (FL)
Behandeling met lenalidomide mag niet worden gestart als het ANC < 1 x 109/l is, en/of het aantal trombocyten < 50 x 109/l is, tenzij secundair aan infiltratie van lymfoom in beenmerg.
Aanbevolen dosis
De aanbevolen aanvangsdosis lenalidomide is eenmaal per dag oraal 20 mg op dag 1 tot 21 van herhaalde cycli van 28 dagen, gedurende maximaal 12 behandelcycli. De aanbevolen aanvangsdosis rituximab is intraveneus (IV) 375 mg/m2, in cyclus 1 eenmaal per week (dag 1, 8, 15 en 22) en in cyclus 2 tot en met 5 op dag 1 van elke cyclus van 28 dagen.
- Stappen dosisverlaging
Aanvangsdosis | 20 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau -1 | 15 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau -2 | 10 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Dosisniveau -3 | 5 mg eenmaal per dag op dag 1 tot 21 van elke 28 dagen |
Raadpleeg voor dosisaanpassingen vanwege toxiciteit van rituximab de desbetreffende Samenvatting van de productkenmerken.
- Trombocytopenie
Verandering aantal trombocyten | Aanbevolen handelswijze |
Afname tot < 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken en CBC ten minste om de 7 dagen uitvoeren |
Herstel tot ≥ 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met het eerste lagere dosisniveau (dosisniveau -1) |
Voor elke volgende afname tot minder dan 50 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken en CBC ten minste om de 7 dagen uitvoeren |
- Absoluut aantal neutrofielen (ANC, Absolute Neutrophil Count) - neutropenie
Verandering ANC | Aanbevolen handelswijzeª |
Afname tot < 1,0 x 109/l gedurende ten minste 7 dagen, of | Behandeling met lenalidomide onderbreken en CBC ten minste om de 7 dagen uitvoeren |
Herstel tot ≥ 1,0 x 109/l | Behandeling met lenalidomide hervatten met het eerste lagere dosisniveau (dosisniveau -1) |
Voor elke volgende afname tot minder dan 1,0 x 109/l gedurende ten minste 7 dagen, of afname tot < 1,0 x 109/l met geassocieerde koorts (lichaamstemperatuur ≥ 38,5°C), of afname tot < 0,5 x 109/l | Behandeling met lenalidomide onderbreken en CBC ten minste om de 7 dagen uitvoeren |
ª Als neutropenie de enige toxiciteit is bij welk dosisniveau dan ook, dien dan naargelang het oordeel van de arts G‑CSF toe
Mantelcellymfoom (MCL) of folliculair lymfoom (FL)
Tumorlysissyndroom (TLS)
Alle patiënten dienen TLS-profylaxe te krijgen (allopurinol, rasburicase of equivalent, volgens de richtlijnen van de instelling) en goed (oraal) gehydrateerd te zijn tijdens de eerste week van de eerste cyclus, of een langere periode indien klinisch geïndiceerd. Om regelmatig te controleren op TLS dient bij patiënten wekelijks bloedonderzoek (testpanel) te worden uitgevoerd tijdens de eerste cyclus en op klinische indicatie.
De behandeling met lenalidomide mag worden voortgezet (met gehandhaafde dosis) bij patiënten met lab-TLS of klinisch TLS graad 1, of, naar het oordeel van de arts, de dosis kan met één niveau worden verlaagd en de behandeling met lenalidomide worden voortgezet. Er dient sterke intraveneuze hydratatie te worden gegeven en passende medische behandeling volgens de plaatselijke zorgstandaard, totdat de afwijkingen in elektrolyten zijn hersteld. Behandeling met rasburicase kan nodig zijn om hyperurikemie tegen te gaan. De arts beoordeelt of de patiënt in het ziekenhuis moet worden opgenomen.
Bij patiënten met klinische TLS graad 2 tot 4 lenalidomide onderbreken en wekelijks of op klinische indicatie bloedonderzoek (testpanel) uitvoeren. Er dient sterke intraveneuze hydratatie te worden gegeven en passende medische behandeling volgens de plaatselijke zorgstandaard, totdat de afwijkingen in elektrolyten zijn hersteld. De arts beoordeelt of de patiënt moet worden behandeld met rasburicase en in het ziekenhuis moet worden opgenomen. Wanneer TLS herstelt tot graad 0, herstart de behandeling met lenalidomide dan met het eerste lagere dosisniveau, volgens het oordeel van de arts (zie rubriek 4.4).
Tumor flare reactie
Naargelang het oordeel van de arts kan behandeling met lenalidomide zonder onderbreking of aanpassing worden voortgezet bij patiënten met een tumor flare reactie (TFR) graad 1 of 2. Naargelang het oordeel van de arts mogen behandeling met niet-steroïdale ontstekingsremmers (NSAID's), behandeling van beperkte duur met corticosteroïden en/of behandeling met narcotische analgetica worden gegeven. Aan patiënten met TFR graad 3 of 4 moet behandeling met lenalidomide worden onthouden en behandeling met NSAID's, corticosteroïden en/of narcotische analgetica worden ingesteld. Wanneer TFR is hersteld tot ≤ graad 1, de behandeling met lenalidomide herstarten met hetzelfde dosisniveau voor de rest van de cyclus. De symptomen van de patiënten kunnen worden behandeld volgens de richtlijnen voor behandeling van TFR graad 1 en 2 (zie rubriek 4.4).
Alle indicaties
Voor andere toxiciteiten graad 3 of 4 waarvan wordt aangenomen dat zij verband houden met lenalidomide, moet de behandeling worden gestopt en alleen opnieuw worden gestart op een volgend lager dosisniveau wanneer de toxiciteit is verminderd tot ≤ graad 2 afhankelijk van het oordeel van de arts.
Voor huiduitslag graad 2 of 3 dient onderbreken van of stoppen met lenalidomide te worden overwogen. Lenalidomide moet worden gestopt wanneer angio-oedeem, anafylactische reactie, huiduitslag graad 4, exfoliatieve of bulleuze huiduitslag optreedt, of wanneer het vermoeden van Stevens-Johnson-syndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN) of geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS) bestaat en dient niet te worden hervat na het stoppen als gevolg van deze reacties.
Speciale populaties
- Pediatrische patiënten
Revlimid mag niet worden gebruikt bij kinderen en adolescenten vanaf de geboorte tot jonger dan 18 jaar wegens veiligheidsbezwaren (zie rubriek 5.1).
- Ouderen
De momenteel beschikbare farmacokinetische gegevens worden beschreven in rubriek 5.2. Lenalidomide is in klinische studies toegepast bij patiënten met multipel myeloom tot 91 jaar oud, bij patiënten met een myelodysplastisch syndroom tot 95 jaar oud en bij patiënten met mantelcellymfoom tot 88 jaar oud (zie rubriek 5.1).
Omdat oudere patiënten vaker een verminderde nierfunctie hebben, dient de dosis zorgvuldig gekozen te worden en is het verstandig om de nierfunctie te bewaken.
Nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom: patiënten die niet in aanmerking komen voor transplantatie
Patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom met een leeftijd van 75 jaar en ouder moeten zorgvuldig onderzocht worden alvorens behandeling wordt overwogen (zie rubriek 4.4).
Voor patiënten ouder dan 75 jaar die behandeld worden met lenalidomide in combinatie met dexamethason bedraagt de aanvangsdosis dexamethason 20 mg per dag op dag 1, 8, 15 en 22 van elke behandelingscyclus van 28 dagen.
Er wordt geen dosisaanpassing voorgesteld voor patiënten ouder dan 75 jaar die behandeld worden met lenalidomide in combinatie met melfalan en prednison.
Bij patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom met een leeftijd van 75 jaar en ouder die lenalidomide toegediend kregen, was er een hogere incidentie van ernstige bijwerkingen en bijwerkingen die tot stopzetting van de behandeling leidden.
Bij patiënten ouder dan 75 jaar met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom werd combinatiebehandeling met lenalidomide minder goed verdragen vergeleken met jongere patiënten. Deze patiënten stopten vaker met de behandeling wegens intolerantie (bijwerkingen graad 3 of 4 en ernstige bijwerkingen) in vergelijking met patiënten < 75 jaar.
Multipel myeloom: patiënten met ten minste één eerdere behandeling
Het percentage patiënten van 65 jaar of ouder met multipel myeloom was in de lenalidomide/dexamethason-groep niet significant verschillend van dat in de placebo/dexamethason-groep. Er is geen algemeen verschil in veiligheid en werkzaamheid waargenomen tussen deze patiënten en jongere patiënten, maar een grotere predispositie bij individuele oudere personen kan niet worden uitgesloten.
Myelodysplastisch syndroom
Voor patiënten met een myelodysplastisch syndroom die werden behandeld met lenalidomide, werd geen algeheel verschil in veiligheid en werkzaamheid waargenomen tussen patiënten van 65 en ouder en jongere patiënten.
Mantelcellymfoom
Voor patiënten met mantelcellymfoom die werden behandeld met lenalidomide werd geen algeheel verschil in veiligheid en werkzaamheid waargenomen tussen patiënten van 65 jaar of ouder in vergelijking met patiënten jonger dan 65 jaar.
Folliculair lymfoom
Voor patiënten met folliculair lymfoom die worden behandeld met lenalidomide in combinatie met rituximab is het totale percentage bijwerkingen voor patiënten van 65 jaar of ouder vergelijkbaar met dat voor patiënten jonger dan 65 jaar. Er werd geen verschil in werkzaamheid waargenomen tussen de twee leeftijdsgroepen.
- Patiënten met nierfunctiestoornis
Lenalidomide wordt hoofdzakelijk door de nieren uitgescheiden; patiënten met een hogere mate van nierfunctiestoornis kunnen een verminderde tolerantie vertonen (zie rubriek 4.4). Het is van belang de dosis zorgvuldig te kiezen en het wordt aanbevolen de nierfunctie te bewaken.
Er zijn geen dosisaanpassingen nodig voor patiënten met een milde nierfunctiestoornis en multipel myeloom, een myelodysplastisch syndroom, mantelcellymfoom of folliculair lymfoom.
De volgende dosisaanpassingen worden bij aanvang van en tijdens de behandeling aanbevolen voor patiënten met een matig of ernstig verminderde nierfunctie of een terminale nieraandoening.
In fase 3-studies zijn er geen ervaringen met terminale nieraandoening (End Stage Renal Disease, ESRD) (CLcr < 30 ml/min, die tot dialyse noodzaakt).
Multipel myeloom
Nierfunctie (CLcr) | Dosisaanpassing |
Matige nierfunctiestoornis | 10 mg eenmaal per dag1 |
Ernstige nierfunctiestoornis | 7,5 mg eenmaal per dag 2 |
Terminale nieraandoening (End Stage Renal Disease, ESRD) | 5 mg eenmaal per dag. Op dagen met dialyse moet de dosis na de dialyse worden toegediend. |
1 De dosis kan na 2 cycli worden verhoogd tot eenmaal per dag 15 mg als de patiënt niet reageert op de behandeling en de behandeling goed verdraagt.
2 In landen waar de 7,5 mg capsule verkrijgbaar is.
Myelodysplastisch syndroom
Nierfunctie (CLcr) | Dosisaanpassing | |
Matige nierfunctiestoornis | Aanvangsdosis | 5 mg eenmaal per dag |
Dosisniveau -1* | 2,5 mg eenmaal per dag | |
Dosisniveau -2* | 2,5 mg om de dag | |
Ernstige nierfunctiestoornis | Aanvangsdosis | 2,5 mg eenmaal per dag |
Dosisniveau -1* | 2,5 mg om de dag | |
Dosisniveau -2* | 2,5 mg twee keer per week | |
Terminale nieraandoening (ESRD) | Aanvangsdosis | 2,5 mg eenmaal per dag |
Dosisniveau -1* | 2,5 mg om de dag | |
Dosisniveau -2* | 2,5 mg twee keer per week | |
* Aanbevolen stappen voor dosisverlaging tijdens de behandeling en bij het opnieuw starten van de behandeling voor graad 3 of 4 neutropenie of trombocytopenie of andere graad 3 of 4 toxiciteit die aan lenalidomide wordt gerelateerd, zoals hierboven beschreven.
Mantelcellymfoom
Nierfunctie (CLcr) | Dosisaanpassing |
Matige nierfunctiestoornis | 10 mg eenmaal per dag1 |
Ernstige nierfunctiestoornis | 7,5 mg eenmaal per dag2 |
Terminale nieraandoening (End Stage Renal Disease, ESRD) | 5 mg eenmaal per dag. Op dagen met dialyse moet de dosis na de dialyse worden toegediend. |
1 De dosis kan na 2 cycli worden verhoogd tot eenmaal per dag 15 mg als de patiënt niet reageert op de behandeling en de behandeling goed verdraagt.
2 In landen waar de 7,5 mg capsule verkrijgbaar is.
Folliculair lymfoom
Nierfunctie (CLcr) | Dosisaanpassing |
Matige nierfunctiestoornis | 10 mg eenmaal per dag1, 2 |
Ernstige nierfunctiestoornis | 5 mg eenmaal per dag. |
Terminale nieraandoening (End Stage Renal Disease, ESRD) | 5 mg eenmaal per dag. Op dagen met dialyse moet de dosis na de dialyse worden toegediend. |
¹ De dosis kan na 2 cycli worden verhoogd tot eenmaal per dag 15 mg als de patiënt de behandeling goed heeft verdragen.
2 Voor patiënten met een aanvangsdosis van 10 mg mag, in geval van dosisverlaging om neutropenie of trombocytopenie graad 3 of 4 of andere lenalidomide-gerelateerde toxiciteiten van graad 3 of 4 te behandelen, de dosis niet verder worden verlaagd dan tot 5 mg om de dag of 2,5 mg eenmaal per dag.
Na aanvang van de lenalidomidebehandeling dient de volgende lenalidomidedosisaanpassing bij patiënten met een nierfunctiestoornis te worden gebaseerd op individuele behandelingstolerantie door de patiënten, zoals hierboven beschreven.
- Patiënten met leverfunctiestoornis
Er is geen officiële studie uitgevoerd naar lenalidomide bij patiënten met leverfunctiestoornis en er zijn geen specifieke doseringsaanbevelingen.
Wijze van toediening
Oraal gebruik.
Revlimid capsules dienen op de geplande dagen op ongeveer hetzelfde tijdstip oraal te worden ingenomen. De capsules mogen niet worden geopend of gebroken en er mag niet op worden gekauwd. De capsules moeten in hun geheel worden doorgeslikt, bij voorkeur met water. De capsules kunnen met of zonder voedsel worden ingenomen.
Het is aanbevolen slechts op één uiteinde van de capsule te drukken om deze uit de blisterverpakking te verwijderen. Hierdoor verkleint u het risico dat de capsule vervormt of breekt.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).
- Zwangere vrouwen.
- Vrouwen die zwanger kunnen worden, tenzij wordt voldaan aan alle voorwaarden van het Programma ter voorkoming van zwangerschap (zie rubrieken 4.4 en 4.6).
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
Nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom: patiënten die ASCT hebben ondergaan en behandeld worden met lenalidomide‑onderhoudsbehandeling
Voor het bepalen van de bijwerkingen in CALGB 100104 werd een conservatieve aanpak toegepast. De bijwerkingen vermeld in Tabel 1 omvatten voorvallen die werden gemeld na HDM/ASCT, evenals voorvallen uit de periode met de onderhoudsbehandeling. Een tweede analyse die de voorvallen identificeerde die na aanvang van de onderhoudsbehandeling optraden, suggereert dat de frequenties vermeld in Tabel 1 hoger kunnen zijn dan in werkelijkheid waargenomen tijdens de periode met de onderhoudsbehandeling. In IFM 2005-02 waren de bijwerkingen uitsluitend afkomstig uit de periode met de onderhoudsbehandeling.
Ernstige bijwerkingen die vaker (≥ 5%) met lenalidomide‑onderhoudsbehandeling werden waargenomen dan met placebo waren:
- Pneumonie (10,6%; gecombineerde term) van IFM 2005-02
- Longinfectie (9% [9,4% na aanvang van de onderhoudsbehandeling]) uit CALGB 100104
In de studie IFM 2005-02 waren de bijwerkingen die vaker werden waargenomen met lenalidomide‑onderhoudsbehandeling dan placebo neutropenie (60,8%), bronchitis (47,4%), diarree (38,9%), nasofaryngitis (34,8%), spierspasmen (33,4%), leukopenie (31,7%), asthenie (29,7%), hoesten (27,3%), trombocytopenie (23,5%), gastro‑enteritis (22,5%) en pyrexie (20,5%).
In de studie CALGB 100104 waren de bijwerkingen die vaker werden waargenomen met lenalidomide‑onderhoudsbehandeling dan met placebo: neutropenie (79,0% [71,9% na aanvang van de onderhoudsbehandeling), trombocytopenie (72,3% [61,6%]), diarree (54,5% [46,4%]), huiduitslag (31,7% [25,0%]), infectie van de bovenste luchtwegen (26,8% [26,8%]), vermoeidheid (22,8% [17,9%]), leukopenie (22,8% [18,8%]) en anemie (21,0% [13,8%]).
Patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom die niet in aanmerking komen voor transplantatie en die lenalidomide krijgen in combinatie met bortezomib en dexamethason
In de studie SWOG S0777 waren de ernstige bijwerkingen die vaker werden waargenomen (≥ 5%) met lenalidomide in combinatie met intraveneus toegediende bortezomib en dexamethason (RVd) dan met lenalidomide in combinatie met dexamethason (Rd):
- Hypotensie (6,5%), longinfectie (5,7%), dehydratie (5,0%)
De bijwerkingen die vaker werden waargenomen met lenalidomide in combinatie met bortezomib en dexamethason dan met lenalidomide in combinatie met dexamethason waren: vermoeidheid (73,7%), perifere neuropathie (71,8%), trombocytopenie (57,6%), obstipatie (56,1%), hypocalciëmie (50,0%).
Nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom: patiënten die niet in aanmerking komen voor transplantatie en die behandeld werden met lenalidomide in combinatie met dexamethason in lage dosis
Ernstige bijwerkingen die vaker (≥ 5%) met lenalidomide in combinatie met dexamethason in lage dosis (Rd en Rd18) werden waargenomen dan met melfalan, prednison en thalidomide (MPT) waren:
- Pneumonie (9,8%)
- Nierfalen (inclusief acuut) (6,3%)
Bijwerkingen die vaker met Rd of Rd18 werden waargenomen dan met MPT waren: diarree (45,5%), vermoeidheid (32,8%), rugpijn (32,0%), asthenie (28,2%), insomnia (27,6%), huiduitslag (24,3%), verminderde eetlust (23,1%), hoesten (22,7%), pyrexie (21,4%) en spierspasmen (20,5%)
Nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom bij patiënten die niet in aanmerking komen voor een transplantatie en behandeld werden met lenalidomide in combinatie met melfalan en prednison
Ernstige bijwerkingen die vaker (≥ 5%) met melfalan, prednison en lenalidomide gevolgd door lenalidomide-onderhoudsbehandeling (MPR+R) of melfalan, prednison en lenalidomide gevolgd door placebo (MPR+p) werden waargenomen dan met melfalan, prednison en placebo gevolgd door placebo (MPp+p) waren:
- Febriele neutropenie (6,0%)
- Anemie (5,3%)
Bijwerkingen die vaker met MPR+R of MPR+p werden waargenomen dan met MPp+p waren: neutropenie (83,3%), anemie (70,7%), trombocytopenie (70,0%), leukopenie (38,8%), obstipatie (34,0%), diarree (33,3%), huiduitslag (28,9%) pyrexie (27,0%), perifeer oedeem (25,0%), hoesten (24,0%), verminderde eetlust (23,7%) asthenie (22,0%).
Multipel myeloom: patiënten met ten minste één eerdere behandeling
In twee fase 3-, placebo-gecontroleerde studies werden 353 patiënten met multipel myeloom blootgesteld aan de combinatie lenalidomide/dexamethason en 351 patiënten aan de combinatie placebo/dexamethason.
De ernstigste bijwerkingen die vaker met lenalidomide/dexamethason werden waargenomen dan met de combinatie placebo/dexamethason waren:
- Veneuze trombo-embolie (diepe veneuze trombose, longembolie) (zie rubriek 4.4)
- Neutropenie graad 4 (zie rubriek 4.4)
De waargenomen bijwerkingen die vaker voorkwamen met lenalidomide en dexamethason dan met placebo en dexamethason in gepoolde klinische studies met multipel myeloom (MM-009 en MM-010) waren vermoeidheid (43,9%), neutropenie (42,2%), obstipatie (40,5%), diarree (38,5%), spierkramp (33,4%), anemie (31,4%), trombocytopenie (21,5%) en huiduitslag (21,2%).
Myelodysplastisch syndroom
Het totale veiligheidsprofiel van lenalidomide bij patiënten met een myelodysplastisch syndroom is gebaseerd op gegevens van in totaal 286 patiënten uit één fase 2- en één fase 3-studie (zie rubriek 5.1). In de fase 2-studie werden alle 148 patiënten behandeld met lenalidomide. In de fase 3-studie kregen 69 patiënten 5 mg lenalidomide, 69 patiënten 10 mg lenalidomide en 67 patiënten placebo tijdens de dubbelblinde fase van de studie.
De meeste bijwerkingen leken zich voor te doen tijdens de eerste 16 weken van de behandeling met lenalidomide.
Ernstige bijwerkingen omvatten:
- Veneuze trombo-embolische voorvallen (diep-veneuze trombose, longembolie) (zie rubriek 4.4)
- Graad 3 of 4 neutropenie, febriele neutropenie en graad 3 of 4 trombocytopenie (zie rubriek 4.4).
De vaakst waargenomen bijwerkingen die vaker optraden in de lenalidomidegroepen in vergelijking met de controle-arm in de fase 3-studie waren neutropenie (76,8%), trombocytopenie (46,4%), diarree (34,8%), obstipatie (19,6%), misselijkheid (19,6%), pruritus (25,4%), huiduitslag (18,1%), vermoeidheid (18,1%) en spierspasmen (16,7%).
Mantelcellymfoom
Het totale veiligheidsprofiel van lenalidomide bij patiënten met mantelcellymfoom is gebaseerd op gegevens van 254 patiënten uit een fase 2‑, gerandomiseerde, gecontroleerde MCL‑002-studie (zie rubriek 5.1).
Ook bijwerkingen van de ondersteunende studie MCL‑001 zijn in tabel 3 opgenomen.
De ernstige bijwerkingen die vaker werden waargenomen in de studie MCL‑002 (met een verschil van ten minste 2 procentpunten) in de groep met lenalidomide vergeleken met de controlegroep waren:
- Neutropenie (3,6%)
- Longembolie (3,6%)
- Diarree (3,6%)
De vaakst waargenomen bijwerkingen die vaker voorkwamen in de groep met lenalidomide vergeleken met de controlegroep in studie MCL‑002 waren neutropenie (50,9%), anemie (28,7%), diarree (22,8%), vermoeidheid (21,0%), obstipatie (17,4%), pyrexie (16,8%) en huiduitslag (inclusief allergische dermatitis) (16,2%).
Inde studie MCL‑002 was er over het algemeen een schijnbare toename van vroegtijdig (binnen 20 weken) overlijden. Patiënten met een hoge tumorlast in de uitgangssituatie lopen een verhoogd risico op vroegtijdig overlijden; er waren 16/81 (20%) gevallen van vroegtijdig overlijden in de lenalidomidegroep en 2/28 (7%) gevallen van vroegtijdig overlijden in de controlegroep. Binnen 52 weken ging het hierbij om 32/81 (39,5%) en 6/28 (21%) (zie rubriek 5.1).
Tijdens behandelingscyclus 1, werden 11/81 (14%) patiënten met een hoge tumorlast in de lenalidomidegroep van de behandeling gehaald ten opzichte van 1/28 (4%) in de controlegroep. De belangrijkste reden voor stopzetting van de behandeling tijdens behandelingscyclus 1 bij patiënten met een hoge tumorlast in de lenalidomidegroep waren bijwerkingen, 7/11 (64%).
Een hoge tumorlast werd gedefinieerd als ten minste één lesie ≥ 5 cm in diameter of 3 lesies ≥ 3 cm.
Folliculair lymfoom
Het totale veiligheidsprofiel van lenalidomide in combinatie met rituximab bij patiënten met eerder behandeld folliculair lymfoom is gebaseerd op gegevens van 294 patiënten uit een gerandomiseerde, gecontroleerde fase 3-studie, NHL‑007. Daarnaast zijn bijwerkingen uit de ondersteunende studie NHL‑008 opgenomen in tabel 5.
De vaakst waargenomen ernstige bijwerkingen (met een verschil van ten minste 1 procentpunt) in studie NHL‑007 in de groep met lenalidomide/rituximab, vergeleken met de groep met placebo/rituximab, waren:
- Febriele neutropenie (2,7%)
- Longembolie (2,7%)
- Pneumonie (2,7%)
In studie NHL‑007 waren de bijwerkingen die vaker werden waargenomen in de groep met lenalidomide/rituximab, vergeleken met de groep met placebo/rituximab (met een verschil in frequentie van ten minste 2% tussen de groepen) neutropenie (58,2%), diarree (30,8%), leukopenie (28,8%), obstipatie (21,9%), hoesten (21,9%) en vermoeidheid (21,9%).
Lijst van bijwerkingen in tabelvorm
De bijwerkingen die werden waargenomen bij patiënten behandeld met lenalidomide staan hieronder vermeld per systeem‑orgaanklasse en frequentie. Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst. De frequenties worden als volgt gedefinieerd: zeer vaak (≥ 1/10); vaak (≥ 1/100, < 1/10); soms (≥ 1/1.000, < 1/100); zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000); zeer zelden (< 1/10.000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Bijwerkingen zijn in de onderstaande tabel opgenomen onder de toepasselijke categorie gerangschikt op de hoogste frequentie waargenomen in om het even welke van de belangrijkste klinische studies.
Samenvatting voor monotherapie bij MM in tabelvorm
De volgende tabel is afgeleid uit gegevens die zijn verzameld tijdens NDMM‑studies bij patiënten die ASCT hebben ondergaan en die worden behandeld met lenalidomide‑onderhoudsbehandeling. De gegevens werden niet gecorrigeerd in overeenstemming met de langere behandelingsduur in de lenalidomide-armen tot ziekteprogressie versus de placebo-armen in de centrale studies naar multipel myeloom (zie rubriek 5.1).
Tabel 1. Bijwerkingen gerapporteerd in klinische studies bij patiënten met multipel myeloom die werden behandeld met lenalidomide‑onderhoudsbehandeling
Systeem/orgaan-klasse/voorkeursterm | Alle bijwerkingen/Frequentie | Graad 3−4 bijwerkingen/Frequentie |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Zeer vaak | Zeer vaak |
Neoplasmata benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen | Vaak |
|
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Zeer vaak | Zeer vaak |
Voedings- en stofwisselingsstoornissen | Zeer vaak | Vaak |
Zenuwstelselaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Bloedvataandoeningen | Vaak | Vaak |
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Maagdarmstelselaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Lever- en galaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Huid- en onderhuidaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | Zeer vaak |
|
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Zeer vaak | Vaak |
◊ Bijwerkingen gemeld als ernstig in klinische studies bij patiënten met NDMM die ASCT hadden ondergaan.
* Uitsluitend van toepassing op ernstige bijwerkingen.
^ Zie rubriek 4.8 beschrijving van geselecteerde bijwerkingen.
a De gecombineerde term van de bijwerking “pneumonie” omvat de volgende voorkeurstermen (PT’s): bronchopneumonie, lobaire pneumonie, Pneumocystis jiroveci-pneumonie, pneumonie, Klebsiella-pneumonie, Legionella-pneumonie, Mycoplasma-pneumonie, pneumokokkenpneumonie, streptokokkenpneumonie, pneumonie viraal, longaandoening, pneumonitis.
b De gecombineerde term van de bijwerking “sepsis” omvat de volgende PT’s: bacteriële sepsis, pneumokokken-sepsis, septische shock, stafylokokken-sepsis.
c De gecombineerde term van de bijwerking “perifere neuropathie” omvat de volgende PT’s: neuropathie perifeer, perifere sensorische neuropathie, polyneuropathie.
d De gecombineerde term van de bijwerking “diep-veneuze trombose” omvat de volgende PT’s: diep-veneuze trombose, trombose, veneuze trombose.
Samenvatting voor combinatietherapie bij MM in tabelvorm
De volgende tabel is afgeleid uit gegevens die zijn verzameld tijdens de multipel-myeloomstudies met combinatiebehandeling. De gegevens werden niet gecorrigeerd in overeenstemming met de langere behandelingsduur in de lenalidomide-armen tot ziekteprogressie versus de behandelingsarmen waarmee werd vergeleken in de centrale studies naar multipel myeloom (zie rubriek 5.1).
Tabel 2. Bijwerkingen gerapporteerd in klinische studies bij patiënten met multipel myeloom die werden behandeld met lenalidomide in combinatie met bortezomib en dexamethason, dexamethason of melfalan en prednison
Systeem/orgaanklasse / Voorkeursterm | Alle bijwerkingen/Frequentie | Graad 3−4 bijwerkingen/Frequentie |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen) | Soms | Vaak |
Bloed- en lymfe- stelselaandoeningen | Zeer vaak | Zeer vaak |
Immuunsysteemaandoeningen | Soms |
|
Endocriene aandoeningen | Vaak |
|
Voedings- en stofwisselingsstoornissen | Zeer vaak | Vaak |
Psychische stoornissen | Zeer vaak | Vaak |
Zenuwstelselaandoeningen | Zeer vaak | Zeer vaak |
Oogaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | Vaak |
|
Hartaandoeningen | Vaak | Vaak |
Bloedvataandoeningen | Zeer vaak | Zeer vaak |
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Maagdarmstelselaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Lever- en galaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Huid- en onderhuidaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Skeletspierstelsel | Zeer vaak | Vaak |
Nier- en urinewegaandoeningen | Zeer vaak | Soms |
Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen | Vaak |
|
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Zeer vaak | Zeer vaak |
Onderzoeken | Zeer vaak |
|
Letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties | Vaak |
|
◊◊Bijwerkingen gemeld als ernstig in klinische studies bij patiënten met NDMM die lenalidomide in combinatie met bortezomib en dexamethason hadden gekregen
^Zie rubriek 4.8 beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
◊ Bijwerkingen gemeld als ernstig in klinische studies bij patiënten met multipel myeloom die waren behandeld met lenalidomide in combinatie met dexamethason of met melfalan en prednison
+ Uitsluitend van toepassing op ernstige geneesmiddelenbijwerkingen
* Plaveiselcelkanker van de huid werd gerapporteerd in klinische studies bij eerder met lenalidomide/dexamethason behandelde patiënten met myeloom in vergelijking met controles
** Plaveiselcelcarcinoom van de huid werd gerapporteerd in een klinische studie bij nieuw gediagnosticeerde myeloompatiënten met lenalidomide/dexamethason in vergelijking met controles
Samenvatting van monotherapie in tabelvorm
De volgende tabellen zijn ontleend aan gegevens die zijn verzameld tijdens de hoofdonderzoeken naar monotherapie voor myelodysplastisch syndroom en mantelcellymfoom.
Tabel 3. Bijwerkingen gerapporteerd in klinische studies bij patiënten met myelodysplastisch syndroom die werden behandeld met lenalidomide#
Systeem/orgaanklasse / Voorkeursterm | Alle bijwerkingen/Frequentie | Graad 3−4 bijwerkingen/Frequentie |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Zeer vaak | Zeer vaak |
Bloed- en lymfe- | Zeer vaak | Zeer vaak |
Endocriene aandoeningen | Zeer vaak |
|
Voedings- en stofwisselingsstoornis-sen | Zeer vaak | Vaak |
Psychische stoornissen |
| Vaak |
Zenuwstelselaandoe-ningen | Zeer vaak |
|
Hartaandoeningen |
| Vaak |
Bloedvataandoeningen | Vaak | Vaak |
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoe-ningen | Zeer vaak |
|
Maagdarmstelselaan-doeningen | Zeer vaak | Vaak |
Lever- en galaandoeningen | Vaak | Vaak |
Huid- en onderhuidaandoe-ningen | Zeer vaak | Vaak |
Skeletspierstelsel- en bindweefsel-aandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Nier- en urinewegaandoeningen |
| Vaak |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoor-nissen | Zeer vaak | Vaak |
Letsels, intoxicaties en verrichtingscompli-caties |
| Vaak |
^zie rubriek 4.8 beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
◊ Bijwerkingen gerapporteerd als ernstig in klinische studies van myelodysplastisch syndroom
-Stemmingswisselingen werden gerapporteerd als een vaak voorkomende ernstige bijwerking in de fase 3-studie naar myelodysplastisch syndroom; het werd niet gerapporteerd als een bijwerking graad 3 of 4
Algoritme toegepast voor opname in de SPC: Alle bijwerkingen die zijn vastgesteld door het fase 3-studiealgoritme zijn opgenomen in de EU SPC. Voor deze bijwerkingen werd een aanvullende controle van de frequentie van de bijwerkingen die zijn vastgelegd door het fase 2-studiealgoritme ondernomen en, indien de frequentie van de bijwerkingen in de fase 2-studie hoger was dan in de fase 3-studie, werd het voorval opgenomen in de EU SPC met de frequentie waarop het zich voordeed in de fase 2-studie.
# Algoritme toegepast voor myelodysplastisch syndroom:
- Fase 3-studie naar myelodysplastisch syndroom (dubbelblinde veiligheidspopulatie, verschil tussen lenalidomide 5/10 mg en placebo bij een aanvangsdoseringsregime dat bij ten minste 2 proefpersonen optrad)
- Alle bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 5% van de proefpersonen met lenalidomide en ten minste 2% verschil in proportie tussen lenalidomide en placebo
- Alle bijwerkingen graad 3 of 4 die zich tijdens de behandeling voordeden bij 1% van de proefpersonen met lenalidomide en ten minste 1% verschil in proportie tussen lenalidomide en placebo.
- Alle ernstige bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij 1% van de proefpersonen met lenalidomide en ten minste 1% verschil in proportie tussen lenalidomide en placebo.
- Myelodysplastisch syndroom fase 2-studie
- Alle bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 5% van de met lenalidomide behandelde proefpersonen
- Alle bijwerkingen graad 3 of 4 die zich tijdens de behandeling voordeden bij 1% van de met lenalidomide behandelde proefpersonen
- Alle ernstige bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij 1% van de met lenalidomide behandelde proefpersonen
Tabel 4. Bijwerkingen gerapporteerd in klinische studies bij patiënten met mantelcellymfoom die werden behandeld met lenalidomide
Systeem/orgaanklasse / Voorkeursterm | Alle bijwerkingen/Frequentie | Graad 3−4 bijwerkingen /Frequentie |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Neoplasmata, benigne, maligne en niet‑gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen) | Vaak | Vaak |
Bloed- en lymfe- | Zeer vaak | Zeer vaak |
Voedings- en stofwisselingsstoornis-sen | Zeer vaak | Vaak |
Psychische stoornissen | Vaak |
|
Zenuwstelselaandoe-ningen | Vaak | Vaak |
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | Vaak |
|
Hartaandoeningen |
| Vaak |
Bloedvataandoeningen | Vaak | Vaak |
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoe-ningen | Zeer vaak | Vaak |
Maagdarmstelselaan-doeningen | Zeer vaak | Vaak |
Huid- en onderhuidaandoe-ningen | Zeer vaak | Vaak |
Skeletspierstelsel- en bindweefsel-aandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Nier- en urinewegaandoeningen |
| Vaak |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoor-nissen | Zeer vaak | Vaak |
^zie rubriek 4.8 beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
◊ Bijwerkingen gerapporteerd als ernstig in klinische studies van mantelcellymfoom.
Algoritme toegepast voor mantelcellymfoom:
- Gecontroleerde fase 2‑studie naar mantelcellymfoom
- Alle bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 5% van de proefpersonen in de groep met lenalidomide en ten minste 2% verschil in proportie tussen de groep met lenalidomide en de controlegroep
- Alle bijwerkingen graad 3 of 4 die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 1% van de proefpersonen in de groep met lenalidomide en ten minste 1,0% verschil in proportie tussen de groep met lenalidomide en de controlegroep
- Alle ernstige bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 1% van de proefpersonen in de groep met lenalidomide en ten minste 1,0% verschil in proportie tussen de groep met lenalidomide en de controlegroep
- Fase 2‑studie naar mantelcellymfoom met een enkele groep
- Alle bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 5% van proefpersonen
- Alle bijwerkingen graad 3 of 4 die zich tijdens de behandeling voordeden bij 2 of meer proefpersonen
- Alle ernstige bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij 2 of meer proefpersonen
Samenvatting voor combinatietherapie bij FL in tabelvorm
De volgende tabel is afgeleid van gegevens die tijdens de hoofdstudies (NHL‑007 en NHL‑008) zijn verzameld met gebruik van lenalidomide in combinatie met rituximab bij patiënten met folliculair lymfoom.
Tabel 5: Bijwerkingen gerapporteerd in klinische studies bij patiënten met folliculair lymfoom, die werden behandeld met lenalidomide in combinatie met rituximab
Systeem/orgaanklasse / Voorkeursterm | Alle bijwerkingen/Frequentie | Graad 3−4 bijwerkingen /Frequentie |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen) | Zeer vaak | Vaak |
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Zeer vaak | Zeer vaak |
Voedings- en stofwisselingsstoornissen | Zeer vaak | Vaak |
Psychische stoornissen | Vaak |
|
Zenuwstelselaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Hartaandoeningen | Soms |
|
Bloedvataandoeningen | Vaak | Vaak |
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Maagdarmstelselaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Huid- en onderhuidaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | Zeer vaak | Vaak |
Nier- en urinewegaandoeningen |
| Vaak |
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Zeer vaak | Vaak |
Onderzoeken | Zeer vaak |
|
^zie rubriek 4.8 beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Algoritme toegepast voor folliculair lymfoom:
Gecontroleerde fase 3-studie:
- Bijwerkingen in NHL‑007- Alle bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 5,0% van de proefpersonen in de groep met lenalidomide/rituximab met ten minste een 2,0% hogere frequentie (%) in de groep met lenalidomide dan in de controlegroep – (veiligheidspopulatie)
- Bijwerkingen graad ¾ in NHL‑007- Alle bijwerkingen graad 3 of graad 4 die zich tijdens de behandeling voordeden bij ten minste 1,0% van de proefpersonen in de groep met lenalidomide/rituximab met ten minste een 1,0% hogere frequentie in de groep met lenalidomide dan in de controlegroep – (veiligheidspopulatie)
- Ernstige bijwerkingen in NHL‑007- Alle ernstige bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ten minste 1,0% van de proefpersonen in de groep met lenalidomide/rituximab met ten minste een 1,0% hogere frequentie in de groep met lenalidomide/rituximab dan in de controlegroep – (veiligheidspopulatie)
Fase 3-studie naar FL met een enkele groep:
- Bijwerkingen in NHL‑008 - Alle bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 5,0% van de proefpersonen
- Bijwerkingen graad ¾ in NHL‑008 - Alle bijwerkingen graad ¾ die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 1,0% van de proefpersonen
- Ernstige bijwerkingen in NHL‑008 - Alle ernstige bijwerkingen die zich tijdens de behandeling voordeden bij ≥ 1,0% van de proefpersonen
◊ Bijwerkingen gerapporteerd als ernstig in klinische studies van folliculair lymfoom
+ Alleen van toepassing op ernstige bijwerkingen
* Onder huiduitslag vallen de voorkeurstermen rash en rash maculo-papulair
**Onder leukopenie vallen de voorkeurstermen leukopenie en wittebloedceltelling verlaagd
***Onder lymfopenie vallen de voorkeurstermen lymfopenie en lymfocytentelling verlaagd
Samenvatting van post-marketing bijwerkingen in tabelvorm
Naast de bovengenoemde bijwerkingen die zijn geïdentificeerd aan de hand van centrale klinische studies, is de volgende tabel ontleend aan gegevens die zijn verzameld uit post-marketing gegevens.
Tabel 6. Bijwerkingen post-marketing gerapporteerd bij patiënten die werden behandeld met lenalidomide
Systeem/orgaanklasse / Voorkeursterm | Alle bijwerkingen/Frequentie | Graad 3−4 bijwerkingen /Frequentie |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Niet bekend | Niet bekend |
Neoplasmata benigne, maligne en niet-gespecificeerd (incl. Cysten en poliepen) |
| Zelden |
Bloed- en lymfe- | Niet bekend |
|
Immuunsysteemaandoeningen | Zelden | Zelden |
Endocriene aandoeningen | Vaak |
|
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | Soms | Zelden |
Maagdarmstelselaandoeningen |
| Niet bekend |
Lever- en galaandoeningen | Niet bekend | Niet bekend |
Huid- en onderhuidaandoeningen |
| Soms |
^zie rubriek 4.8 beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Teratogeniciteit
Lenalidomide is structureel verwant aan thalidomide. Thalidomide is een bekende, bij de mens teratogene werkzame stof die ernstige, levensbedreigende aangeboren afwijkingen veroorzaakt. Bij apen veroorzaakte lenalidomide misvormingen vergelijkbaar met die welke beschreven zijn voor thalidomide (zie rubrieken 4.6 en 5.3). Als lenalidomide tijdens de zwangerschap wordt gebruikt, is een teratogeen effect van lenalidomide bij de mens te verwachten.
Neutropenie en trombocytopenie
- Nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom: patiënten die ASCT hebben ondergaan en die worden behandeld met lenalidomide‑onderhoudsbehandeling
Lenalidomide‑onderhoudsbehandeling na ASCT wordt geassocieerd met een hogere frequentie van neutropenie graad 4, vergeleken met placebo‑onderhoudsbehandeling (respectievelijk 32,1% versus 26,7% [16,1% versus 1,8% na aanvang van de onderhoudsbehandeling] in CALGB 100104 en 16,4% versus 0,7% in IFM 2005-02). Neutropenie als bijwerking die zich tijdens de behandeling voordeed en leidde tot stopzetting van lenalidomide werd gemeld bij respectievelijk 2,2% van de patiënten in CALGB 100104 en 2,4% van de patiënten in IFM 2005-02. In beide studies werd febriele neutropenie graad 4 gemeld bij vergelijkbare frequenties in de groepen met lenalidomide‑onderhoudsbehandeling, vergeleken met de groepen met placebo‑onderhoudsbehandeling (respectievelijk 0,4% versus 0,5% [0,4% versus 0,5% na aanvang van de onderhoudsbehandeling] in CALGB 100104 en 0,3% versus 0% in IFM 2005-02).
Lenalidomide‑onderhoudsbehandeling na ASCT wordt geassocieerd met een hogere frequentie van trombocytopenie graad 3 of 4 vergeleken met placebo‑onderhoudsbehandeling (respectievelijk 37,5% versus 30,3% [17,9% versus 4,1% na aanvang van de onderhoudsbehandeling] in CALGB 100104 en 13,0% versus 2,9% in IFM 2005-02).
- Patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom die niet in aanmerking komen voor transplantatie en die lenalidomide krijgen in combinatie met bortezomib en dexamethason (RVd)
In de studie SWOG S0777 werd neutropenie graad 4 minder vaak waargenomen in de groep met RVd dan in de vergelijkingsgroep met Rd (2,7% versus 5,9%). In de groep met RVd en de groep met Rd werd febriele neutropenie graad 4 gemeld met vergelijkbare frequenties (0,0% versus 0,4%).
Trombocytopenie graad 3 of 4 werd vaker waargenomen in de groep met RVd dan in de vergelijkingsgroep met Rd (17,2% versus 9,4%).
- Nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom: patiënten die niet in aanmerking komen voor transplantatie en die worden behandeld met lenalidomide in combinatie met dexamethason
De combinatie van lenalidomide met dexamethason is bij patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom geassocieerd met een lagere frequentie van neutropenie graad 4 (8,5% bij Rd en Rd18, vergeleken met MPT (15%)). Febriele neutropenie graad 4 werd infrequent waargenomen (0,6% bij Rd en Rd18 vergeleken met 0,7% bij MPT).
De combinatie van lenalidomide met dexamethason is bij patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom geassocieerd met een lagere frequentie van trombocytopenie graad 3 en 4 (8,1% bij Rd en Rd18) vergeleken met MPT (11,1%).
- Patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom die niet in aanmerking komen voor een transplantatie en worden behandeld met lenalidomide in combinatie met melfalan en prednison
De combinatie van lenalidomide met melfalan en prednison is bij patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom geassocieerd met een hogere frequentie van neutropenie graad 4 (34,1% bij MPR+R/MPR+p, vergeleken met MPp+p (7,8%). Er werd een hogere frequentie van febriele neutropenie graad 4 waargenomen (1,7% bij MPR+R/MPR+p, vergeleken met 0,0% bij MPp+p).
De combinatie van lenalidomide met melfalan en prednison is bij patiënten met nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom geassocieerd met een hogere frequentie van trombocytopenie graad 3 en graad 4 (40,4% bij MPR+R/MPR+p), vergeleken met MPp+p (13,7%).
- Multipel myeloom: patiënten met ten minste één eerdere behandeling
De combinatie van lenalidomide en dexamethason is bij patiënten met multipel myeloom geassocieerd met een hogere incidentie van neutropenie graad 4 (5,1% bij patiënten die werden behandeld met lenalidomide/dexamethason, vergeleken met 0,6% bij patiënten behandeld met placebo/dexamethason). Episodes met febriele neutropenie graad 4 werden infrequent waargenomen (0,6% bij patiënten die werden behandeld met lenalidomide/dexamethason, vergeleken met 0,0% bij patiënten behandeld met placebo/dexamethason).
De combinatie van lenalidomide en dexamethason is bij patiënten met multipel myeloom geassocieerd met een hogere incidentie van trombocytopenie graad 3 en 4 (respectievelijk 9,9% en 1,4% bij patiënten die werden behandeld met lenalidomide/dexamethason, vergeleken met 2,3% en 0,0% bij patiënten behandeld met placebo/dexamethason).
- Patiënten met myelodysplastisch syndroom
Bij patiënten met een myelodysplastisch syndroom wordt lenalidomide geassocieerd met een hogere incidentie van graad 3 of 4 neutropenie (74,6% bij met lenalidomide behandelde patiënten in vergelijking met 14,9% bij patiënten met placebo in de fase 3-studie). Episodes van graad 3 of 4 febriele neutropenie werden waargenomen bij 2,2% van de met lenalidomide behandelde patiënten in vergelijking met 0,0% bij patiënten met placebo. Lenalidomide wordt geassocieerd met een hogere incidentie van graad 3 of 4 trombocytopenie (37% bij met lenalidomide behandelde patiënten in vergelijking met 1,5% bij patiënten met placebo in de fase 3-studie).
- Patiënten met mantelcellymfoom
Bij patiënten met mantelcellymfoom wordt lenalidomide geassocieerd met een hogere incidentie neutropenie graad 3 of 4 (43,7% bij patiënten behandeld met lenalidomide vergeleken met 33,7% bij patiënten in de controlegroep van de fase 2-studie). Episodes van febriele neutropenie graad 3 of 4 werden waargenomen bij 6,0% van de patiënten behandeld met lenalidomide vergeleken met 2,4% bij patiënten in de controlegroep.
- Patiënten met folliculair lymfoom
De combinatie van lenalidomide en rituximab bij patiënten met folliculair lymfoom wordt geassocieerd met een hoger percentage neutropenie graad 3 of graad 4 (50,7% bij met lenalidomide/rituximab behandelde patiënten, vergeleken met 12,2% bij met placebo/rituximab behandelde patiënten). Alle gevallen van neutropenie graad 3 of 4 waren reversibel door dosisonderbreking, dosisverlaging en/of ondersteunende zorg met groeifactoren. Daarnaast werd soms febriele neutropenie waargenomen (2,7% bij met lenalidomide/rituximab behandelde patiënten, vergeleken met 0,7% bij met placebo/rituximab behandelde patiënten).
Lenalidomide in combinatie met rituximab is ook geassocieerd met een hogere incidentie van trombocytopenie graad 3 of 4 (1,4% bij met lenalidomide/rituximab behandelde patiënten, vergeleken met 0% bij met placebo/rituximab behandelde patiënten).
Veneuze trombo-embolie
Een verhoogd risico op DVT en PE wordt geassocieerd met het gebruik van de combinatie van lenalidomide met dexamethason bij patiënten met multipel myeloom en in mindere mate bij patiënten die behandeld worden met lenalidomide in combinatie met melfalan en prednison of bij patiënten met multipel myeloom of myelodysplastisch syndroom en mantelcellymfoom die worden behandeld met lenalidomide als monotherapie (zie rubriek 4.5).
Gelijktijdige toediening van erytropoëtische middelen of een voorgeschiedenis van DVT kan het risico op trombose bij deze patiënten ook verhogen.
Myocardinfarct
Myocardinfarct is gerapporteerd bij patiënten die lenalidomide kregen, in het bijzonder bij patiënten met bekende risicofactoren.
Hemorragische aandoeningen
Hemorragische aandoeningen worden vermeld onder een aantal systeem-orgaanklassen: Bloed- en lymfestelselaandoeningen; zenuwstelselaandoeningen (intracraniale hemorragie); ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen (epistaxis); maagdarmstelselaandoeningen (gingivale bloeding, hemorroïdale hemorragie, rectale hemorragie); nier- en urinewegaandoeningen (hematurie); letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties (contusie) en bloedvataandoeningen (ecchymose).
Allergische reacties en ernstige huidreacties
Er zijn gevallen van allergische reacties waaronder angio-oedeem, anafylactische reactie en ernstige huidreacties, waaronder SJS, TEN en DRESS, gerapporteerd bij het gebruik van lenalidomide. Een mogelijke kruisreactie tussen lenalidomide en thalidomide is in de literatuur gerapporteerd. Patiënten met een voorgeschiedenis van ernstige huiduitslag in verband met een behandeling met thalidomide mogen geen lenalidomide krijgen (zie rubriek 4.4).
Tweede primaire kwaadaardige tumoren
In klinische studies bij eerder met lenalidomide/dexamethason behandelde myeloompatiënten in vergelijking met de controlegroep, voornamelijk bestaande uit basaalcel of plaveiselcel huidkankers.
Acute myeloïde leukemie
- Multipel myeloom
Gevallen van AML zijn waargenomen in klinische studies naar nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom bij patiënten die behandeling met lenalidomide in combinatie met melfalan kregen of onmiddellijk na HDM/ASCT (zie rubriek 4.4). Deze toename werd niet waargenomen in klinische studies naar nieuw gediagnosticeerd multipel myeloom bij patiënten die lenalidomide in combinatie met dexamethason kregen vergeleken met thalidomide in combinatie met melfalan en prednison.
- Myelodysplastisch syndroom
Variabelen in de uitgangssituatie die complexe cytogenetica en TP53-mutatie omvatten, worden in verband gebracht met progressie tot AML bij patiënten die afhankelijk zijn van transfusies en een del(5q) afwijking hebben (zie rubriek 4.4). Het geschatte cumulatieve 2-jaarsrisico op progressie tot AML bij patiënten met een geïsoleerde del(5q) afwijking was 13,8%, in vergelijking met 17,3% voor patiënten met del(5q) en één bijkomende cytogenetische afwijking en 38,6% bij patiënten met een complex karyotype.
In een post-hoc analyse van een klinische studie met lenalidomide bij myelodysplastisch syndroom, bedroeg het geschatte 2-jaarspercentage van progressie tot AML 27,5% bij patiënten met IHC-p53-positiviteit en 3,6% bij patiënten met IHC-p53-negativiteit (p = 0,0038). Bij de patiënten met IHC-p53-positiviteit werd een lager percentage van progressie tot AML waargenomen bij patiënten die een transfusie-onafhankelijke (TI) respons bereikte (11,1%) in vergelijking met een non-responder (34,8%).
Leveraandoeningen
De volgende post-marketing bijwerkingen zijn gerapporteerd (frequentie niet bekend): acuut leverfalen en cholestase (beide potentieel fataal), toxische hepatitis, cytolytische hepatitis, gemengde cytolytische/cholestatische hepatitis.
Rabdomyolyse
Er zijn zeldzame gevallen van rabdomyolyse waargenomen, sommige ervan na toediening van lenalidomide met een statine.
Schildklieraandoeningen
Er zijn gevallen van hypothyreoïdie en gevallen van hyperthyreoïdie gemeld (zie rubriek 4.4 Schildklieraandoeningen).
Tumor flare reactie en tumorlysissyndroom
In studie MCL‑002 had ongeveer 10% van de patiënten behandeld met lenalidomide TFR vergeleken met 0% in de controlegroep. De meeste voorvallen kwamen voor in cyclus 1; alle werden beoordeeld als behandeling‑gerelateerd en de meeste van de meldingen waren graad 1 of 2. Patiënten met een hoge MIPI bij de diagnose of een omvangrijke ziekte (ten minste één lesie waarvan de langste diameter ≥ 7 cm is) in de uitgangssituatie kunnen risico lopen op TFR. In studie MCL‑002 werd TLS gemeld voor één patiënt in beide behandelingsgroepen. In de ondersteunende studie MCL‑001 had ongeveer 10% van de proefpersonen TFR; alle meldingen waren graad 1 of 2 in ernst en alle werden beoordeeld als behandeling‑gerelateerd. De meeste van de voorvallen kwamen voor in cyclus 1. Er waren geen meldingen van TLS in studie MCL‑001 (zie rubriek 4.4).
In onderzoek NHL‑007 werd TFR gemeld bij 19/146 patiënten (13,0%) in de groep met lenalidomide/rituximab versus 1/148 patiënten (0,7%) in de groep met placebo/rituximab. De meeste TFR's (18 van de 19) die werden gemeld in de groep met lenalidomide/rituximab traden op in de eerste twee behandelcycli. Eén FL‑patiënt in de groep met lenalidomide/rituximab had een TFR-voorval van graad 3, versus geen patiënten in de groep met placebo/rituximab. In studie NHL‑008 hadden 7/177 FL‑patiënten (4,0%) TFR; (3 meldingen waren graad 1 en 4 meldingen waren graad 2 in ernst); terwijl 1 melding ernstig werd geacht. In studie NHL‑007 trad TLS op bij 2 FL‑patiënten (1,4%) in de groep met lenalidomide/rituximab en bij geen FL‑patiënten in de groep met placebo/rituximab; geen enkele patiënt had een voorval van graad 3 of 4. TLS trad op bij 1 FL‑patiënt (0,6%) in studie NHL‑008. Dit enkele voorval werd geïdentificeerd als een ernstige bijwerking van graad 3. In studie NHL‑007 waren er geen patiënten die de behandeling met lenalidomide/rituximab moesten stoppen vanwege TFR of TLS.
Maagdarmstelselaandoeningen
Gastro-intestinale perforaties zijn gerapporteerd tijdens behandeling met lenalidomide. Gastro-intestinale perforaties kunnen leiden tot septische complicaties en kunnen gepaard gaan met fatale afloop.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Bristol‑Myers Squibb Pharma EEIG
Plaza 254
Blanchardstown Corporate Park 2
Dublin 15, D15 T867
Ierland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Revlimid 2,5 mg harde capsules
EU/1/07/391/005
EU/1/07/391/007
Revlimid 5 mg harde capsules
EU/1/07/391/001
EU/1/07/391/008
Revlimid 7,5 mg harde capsules
EU/1/07/391/006
EU/1/07/391/012
Revlimid 10 mg harde capsules
EU/1/07/391/002
EU/1/07/391/010
Revlimid 15 mg harde capsules
EU/1/07/391/003
EU/1/07/391/011
Revlimid 20 mg harde capsules
EU/1/07/391/009
EU/1/07/391/013
Revlimid 25 mg harde capsules
EU/1/07/391/004
EU/1/07/391/014
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2447407 | REVLIMID CAPS 21 X 5,0MG | L04AX04 | - | € 1378,73 | Ja | - | - |
| 2447415 | REVLIMID CAPS 21 X 10,0MG | L04AX04 | - | € 1378,73 | Ja | - | - |
| 2447423 | REVLIMID CAPS 21 X 15,0MG | L04AX04 | - | € 1378,73 | Ja | - | - |
| 2447431 | REVLIMID CAPS 21 X 25,0MG | L04AX04 | - | € 1401,15 | Ja | - | - |
| 3058013 | REVLIMID CAPS 21 X 2,5MG | L04AX04 | - | € 1378,73 | Ja | - | - |
| 3290855 | REVLIMID CAPS 21 X 20,0MG | L04AX04 | - | € 1378,73 | Ja | - | - |
| 3290863 | REVLIMID CAPS 21 X 7,5MG | L04AX04 | - | € 1378,73 | Ja | - | - |