1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Heparine LEO 100 I.E./ml, oplossing voor injectie
Heparine LEO 5.000 I.E./ml, oplossing voor injectie
Heparine LEO 5.000 I.E./ml, oplossing voor injectie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Heparine LEO 100 I.E./ml, oplossing voor injectie:
iedere injectieflacon bevat 1.000 I.E. Heparine Natrium
Heparine 5.000 I.E./ml, oplossing voor injectie:
iedere injectieflacon bevat 25.000 I.E. Heparine Natrium
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
iedere injectieflacon bevat 1.000 I.E. Heparine Natrium
Heparine 5.000 I.E./ml, oplossing voor injectie:
iedere injectieflacon bevat 25.000 I.E. Heparine Natrium
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Heparine LEO 100 I.E./ml, oplossing voor injectie. Heldere, kleurloze tot strokleurige
vloeistof.
Heparine LEO 5.000 I.E./ml, oplossing voor injectie. Heldere, kleurloze tot strokleurige
vloeistof.
vloeistof.
Heparine LEO 5.000 I.E./ml, oplossing voor injectie. Heldere, kleurloze tot strokleurige
vloeistof.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Heparinetherapie met hoge dosis
Diepe veneuze trombose
Longembolie
Heparinetherapie met lage dosis
Preventie van postoperatieve diepe veneuze trombose
Behandeling van diffuse intravasculaire stolling
Extracorporale bloedsomloop bij hartchirurgie
Extracorporale dialyse
In vitro anticoagulatie
Vrijhouden van ingaande intraveneuze canulae en catheters
Diepe veneuze trombose
Longembolie
Heparinetherapie met lage dosis
Preventie van postoperatieve diepe veneuze trombose
Behandeling van diffuse intravasculaire stolling
Extracorporale bloedsomloop bij hartchirurgie
Extracorporale dialyse
In vitro anticoagulatie
Vrijhouden van ingaande intraveneuze canulae en catheters
4.2 Dosering en wijze van toediening
Heparine LEO 5.000 I.E./ml moet intraveneus worden ingespoten.
Oplossingen met heparine mogen niet I.M. worden toegediend omwille van de frequentie van lokale secundaire bijwerkingen (pijn, prikkeling, bloeding rond de plaats van injectie).
Toediening van hoge doses moet bij voorkeur gebeuren via continu intraveneus infuus i.p.v. via intermitterende intraveneuze inspuiting aangezien in het eerste geval de antistollingsactiviteit stabieler blijft en er een vermindering is in hemorragische complicaties. Bij voorkeur moet een infusiepomp gebruikt worden.
Bij heparinetherapie met hoge dosis zijn de eisen m.b.t. de posologie onderworpen aan interindividuele variaties en moet de dosering zorgvuldig aangepast worden op basis van het lichaamsgewicht, het klinische onderzoek en de labotesten, teneinde een optimaal therapeutisch effect te bekomen zonder risico op hemorragie.
De geactiveerde partiële tromboplastinetijd (APTT) is de meest gebruikte labotest voor de monitoring van heparinetherapie met hoge dosis.
De geactiveerde stollingstijd (ACT) kan ook gebruikt worden en is bijzonder geschikt om toezicht te houden op de antistollingsactiviteit bij patiënten bij wie een extracorporale bloedsomloop toegepast wordt, aangezien deze test aan het bed van de patiënt kan worden uitgevoerd.
De therapeutische streefwaarde van de APTT bij heparinetherapie met hoge dosis ligt tussen 1,5 tot 2,5 maal de controlewaarde.
Voor de geactiveerde stollingstijd is de therapeutische streefwaarde 2 tot 3 maal de controlewaarde.
Bij toediening via continu intraveneus infuus moeten de coagulatietesten worden uitgevoerd vóór het begin van de therapie, om de 4 uur gedurende de eerste 2 dagen van het begin van de behandeling en daarna om de 24 uur.
Bij intermitterende intraveneuze toediening moeten de coagulatietesten worden uitgevoerd vóór het begin van de therapie, vóór de toediening van elke volgende inspuiting gedurende ± 2 dagen in het begin van de behandeling en daarna elke dag.
Het is niet nodig toezicht te houden op de coagulatietesten bij heparinetherapie met lage dosis aangezien de coagulatieparameters over het algemeen niet worden beïnvloed.
A. Heparinetherapie met hoge dosis
Toediening via continu I.V.-infuus
Een inspuiting van 5.000 I.E. via I.V. weg, gevolgd door een continu infuus van 20.000 tot 40.000 I.E., verdund in een liter fysiologische oplossing, toegediend in 24 uur.
Toediening via intermitterende I.V.-inspuiting
De gebruikelijke aanvangsdosis is 10.000 I.E. via I.V. weg, gevolgd door 5.000 tot 10.000 I.E. om de 4 tot 6 uur. De I.V.-inspuitingen mogen onverdund of verdund in 50 tot 100 ml fysiologische oplossing worden toegediend.
Kinderen:
Bij toediening via continu intraveneus infuus is de aanbevolen aanvangsdosis 50 I.E. per kg, gevolgd door een infuus van 100 I.E. per kg om de 4 uur. Men kan ook om de 24 uur 20.000 I.E. per m² lichaamsoppervlakte toedienen via continu infuus.
Heparinetherapie met hoge dosis wordt over het algemeen gedurende 7 tot 8 dagen toegediend zowel bij diepe veneuze trombose als voor preventie van trombo-embolieën als gevolg van immobilisatie.
Gewoonlijk wordt een coumarinederivaat toegediend als aflossing voor de heparinetherapie met hoge dosis. Gelijktijdige toediening van de twee producten is noodzakelijk tot een bevredigende respons op de coumarinederivaten wordt verkregen (verlenging van de protrombinetijd (PTT)).
B. Heparinetherapie met lage dosis
Behandeling van een diffuse intravasculaire stolling: de gebruikelijke aanbevolen dosis bedraagt 50 tot 100 I.E. per kg voor volwassenen en 25 tot 50 I.E. per kg voor kinderen, toegediend via continu intraveneus infuus of intraveneuze injecties om de 4 uur. Indien na 4 tot 8 uur geen enkele verbetering wordt vastgesteld, moet de toediening stopgezet worden.
Extracorporale bloedsomloop bij hartchirurgie: de gebruikelijke aanvangsdosis is voor volwassenen gelijk aan of hoger dan 150 I.E. heparine per kg. Een dosis van 300 I.E. per kg wordt dikwijls toegediend voor ingrepen van minder dan 1 uur, en 400 I.E. per kg voor ingrepen die langer dan 1 uur zullen duren.
Extracorporale dialyse: de instructies van de fabrikant van de uitrusting moeten zorgvuldig opgevolgd worden.
In vitro anticoagulatie
a. Bij bloedtransfusies worden gewoonlijk 7.500 I.E. heparine toegevoegd aan 100 ml van een 0,9 % natriumchloride-oplossing; 6 tot 8 ml van deze oplossing worden aan 100 ml bloed toegevoegd.
b. Bij bloedafnamen worden 70 tot 150 I.E. gevoegd bij 10 tot 20 ml totaal bloed.
Vrijhouden van ingaande intraveneuze canulae of catheter:
Voor routine gebruik wordt 1 à 2 ml van Heparine 100 I.E./ml oplossing toegediend in de canula of catheter 2 à 3 maal per dag.
Oplossingen met heparine mogen niet I.M. worden toegediend omwille van de frequentie van lokale secundaire bijwerkingen (pijn, prikkeling, bloeding rond de plaats van injectie).
Toediening van hoge doses moet bij voorkeur gebeuren via continu intraveneus infuus i.p.v. via intermitterende intraveneuze inspuiting aangezien in het eerste geval de antistollingsactiviteit stabieler blijft en er een vermindering is in hemorragische complicaties. Bij voorkeur moet een infusiepomp gebruikt worden.
Bij heparinetherapie met hoge dosis zijn de eisen m.b.t. de posologie onderworpen aan interindividuele variaties en moet de dosering zorgvuldig aangepast worden op basis van het lichaamsgewicht, het klinische onderzoek en de labotesten, teneinde een optimaal therapeutisch effect te bekomen zonder risico op hemorragie.
De geactiveerde partiële tromboplastinetijd (APTT) is de meest gebruikte labotest voor de monitoring van heparinetherapie met hoge dosis.
De geactiveerde stollingstijd (ACT) kan ook gebruikt worden en is bijzonder geschikt om toezicht te houden op de antistollingsactiviteit bij patiënten bij wie een extracorporale bloedsomloop toegepast wordt, aangezien deze test aan het bed van de patiënt kan worden uitgevoerd.
De therapeutische streefwaarde van de APTT bij heparinetherapie met hoge dosis ligt tussen 1,5 tot 2,5 maal de controlewaarde.
Voor de geactiveerde stollingstijd is de therapeutische streefwaarde 2 tot 3 maal de controlewaarde.
Bij toediening via continu intraveneus infuus moeten de coagulatietesten worden uitgevoerd vóór het begin van de therapie, om de 4 uur gedurende de eerste 2 dagen van het begin van de behandeling en daarna om de 24 uur.
Bij intermitterende intraveneuze toediening moeten de coagulatietesten worden uitgevoerd vóór het begin van de therapie, vóór de toediening van elke volgende inspuiting gedurende ± 2 dagen in het begin van de behandeling en daarna elke dag.
Het is niet nodig toezicht te houden op de coagulatietesten bij heparinetherapie met lage dosis aangezien de coagulatieparameters over het algemeen niet worden beïnvloed.
A. Heparinetherapie met hoge dosis
Toediening via continu I.V.-infuus
Een inspuiting van 5.000 I.E. via I.V. weg, gevolgd door een continu infuus van 20.000 tot 40.000 I.E., verdund in een liter fysiologische oplossing, toegediend in 24 uur.
Toediening via intermitterende I.V.-inspuiting
De gebruikelijke aanvangsdosis is 10.000 I.E. via I.V. weg, gevolgd door 5.000 tot 10.000 I.E. om de 4 tot 6 uur. De I.V.-inspuitingen mogen onverdund of verdund in 50 tot 100 ml fysiologische oplossing worden toegediend.
Kinderen:
Bij toediening via continu intraveneus infuus is de aanbevolen aanvangsdosis 50 I.E. per kg, gevolgd door een infuus van 100 I.E. per kg om de 4 uur. Men kan ook om de 24 uur 20.000 I.E. per m² lichaamsoppervlakte toedienen via continu infuus.
Heparinetherapie met hoge dosis wordt over het algemeen gedurende 7 tot 8 dagen toegediend zowel bij diepe veneuze trombose als voor preventie van trombo-embolieën als gevolg van immobilisatie.
Gewoonlijk wordt een coumarinederivaat toegediend als aflossing voor de heparinetherapie met hoge dosis. Gelijktijdige toediening van de twee producten is noodzakelijk tot een bevredigende respons op de coumarinederivaten wordt verkregen (verlenging van de protrombinetijd (PTT)).
B. Heparinetherapie met lage dosis
Behandeling van een diffuse intravasculaire stolling: de gebruikelijke aanbevolen dosis bedraagt 50 tot 100 I.E. per kg voor volwassenen en 25 tot 50 I.E. per kg voor kinderen, toegediend via continu intraveneus infuus of intraveneuze injecties om de 4 uur. Indien na 4 tot 8 uur geen enkele verbetering wordt vastgesteld, moet de toediening stopgezet worden.
Extracorporale bloedsomloop bij hartchirurgie: de gebruikelijke aanvangsdosis is voor volwassenen gelijk aan of hoger dan 150 I.E. heparine per kg. Een dosis van 300 I.E. per kg wordt dikwijls toegediend voor ingrepen van minder dan 1 uur, en 400 I.E. per kg voor ingrepen die langer dan 1 uur zullen duren.
Extracorporale dialyse: de instructies van de fabrikant van de uitrusting moeten zorgvuldig opgevolgd worden.
In vitro anticoagulatie
a. Bij bloedtransfusies worden gewoonlijk 7.500 I.E. heparine toegevoegd aan 100 ml van een 0,9 % natriumchloride-oplossing; 6 tot 8 ml van deze oplossing worden aan 100 ml bloed toegevoegd.
b. Bij bloedafnamen worden 70 tot 150 I.E. gevoegd bij 10 tot 20 ml totaal bloed.
Vrijhouden van ingaande intraveneuze canulae of catheter:
Voor routine gebruik wordt 1 à 2 ml van Heparine 100 I.E./ml oplossing toegediend in de canula of catheter 2 à 3 maal per dag.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor heparine of voor één van de hulpstoffen
- Heparine-geïnduceerde thrombocytopenie
- Hemorragische diathese (met uitzondering van bloedingen bij consumptie
coagulopathieën)
- Ongecontroleerde ernstige hypertensie
- Ulcus en geülcereerde tumor van het maagdarmkanaal
- Acute of subacute bacteriële endocarditis
- Heelkundige ingreep (of verwondingen) van het centrale zenuwstelsel, ogen en oren
- Cerebrale of retinale hemorragie
- Abortus imminens
- Retinitis Diabetica
- Ernstige nier- of leverinsufficiëntie
- Actieve tuberculose
- Chronisch alcoholisme
- Heparine-geïnduceerde thrombocytopenie
- Hemorragische diathese (met uitzondering van bloedingen bij consumptie
coagulopathieën)
- Ongecontroleerde ernstige hypertensie
- Ulcus en geülcereerde tumor van het maagdarmkanaal
- Acute of subacute bacteriële endocarditis
- Heelkundige ingreep (of verwondingen) van het centrale zenuwstelsel, ogen en oren
- Cerebrale of retinale hemorragie
- Abortus imminens
- Retinitis Diabetica
- Ernstige nier- of leverinsufficiëntie
- Actieve tuberculose
- Chronisch alcoholisme
4.8 Bijwerkingen
Zeer vaak >1/10
Vaak >1/100 en <1/10
Soms >1/1000 en <1/100
Zelden >1/10.000 en <1/1000
Zeer zelden <1/10.000
De meest voorkomende bijwerkingen zijn bloedingen, een omkeerbare verhoging van leverenzymen, omkeerbare thrombocytopenie en allerlei huidreacties. Geïsoleerde gevallen van allergische reacties, huidnecrose en priapisme werden eveneens gerapporteerd.
Gebaseerd op post-marketing gegevens is de totale rapporteringsfrequentie van bijwerkingen zeer zelden, zijnde ongeveer 4 per 100.000 behandelingen/profylactische toepassingen.
• Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Vaak: Thrombocytopenie Type I
Heparine kan trombocytopenie veroorzaken (milde, voorbijgaande trombopenie, ofwel zeer zelden ernstige en zeer gevaarlijke trombopenie) door een direct effect of door een immuuneffect dat bloedplaatjes-aggregatie veroorzakende antilichamen produceert, zie rubriek 4.4. Omkeerbaar na het stopzetten van de medicatie.
• Immuunsysteemaandoeningen
Zelden: Allergische reacties (erytheem, bronchiaal astma, koorts)
Zeer zelden: Anafylactische reacties (anafylactische shock)
• Bloedvataandoeningen
Vaak: Hemorragie
Hemorragische complicaties, met mogelijke invloed op de organen, kunnen
optreden, vooral wanneer hoge dosissen worden toegediend. Hemorragieën
kunnen voorkomen onder vorm van hematurie en subcutane hematomen op
drukplaatsen. Indien normale doses (heparinetherapie met lage dosis) worden
gebruikt, zijn de risico's echter beperkt. In uitzonderlijke gevallen werden
vaatspasmen beschreven.
• Lever- en galaandoeningen
Vaak: Verhoogde transaminasen, gamma-GT, LDH en lipase.
Meestal omkeerbaar na stopzetten van de medicatie.
• Huid- en onderhuidaandoeningen
Uitslag
Urticaria
Pruritus
Huidnecrose
Verschillende soorten uitslag zoals erythemateuse en maculopapulaire werden gemeld.
Mogelijk subcutane verharding
• Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen
Zeer zelden: priapisme
• Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Vaak: Reacties ter hoogte van de injectieplaats
Plaatselijke irritatie kan voorkomen bij subcutane injectie
Klasse-effecten, aanvaard als zijnde van toepassing voor alle producten van deze groep
• Zelden: Hypoaldosteronisme, geassocieerd met hyperkaliëmie en metabole acidose (vooral bij patiënten met een verminderde nierfunctie en diabetes mellitus) kan optreden bij niet-gefractioneerde heparines.
• Soms: Voorbijgaand haarverlies en osteoporose werden gemeld bij behandeling met niet-gefractioneerde heparines.
Vaak >1/100 en <1/10
Soms >1/1000 en <1/100
Zelden >1/10.000 en <1/1000
Zeer zelden <1/10.000
De meest voorkomende bijwerkingen zijn bloedingen, een omkeerbare verhoging van leverenzymen, omkeerbare thrombocytopenie en allerlei huidreacties. Geïsoleerde gevallen van allergische reacties, huidnecrose en priapisme werden eveneens gerapporteerd.
Gebaseerd op post-marketing gegevens is de totale rapporteringsfrequentie van bijwerkingen zeer zelden, zijnde ongeveer 4 per 100.000 behandelingen/profylactische toepassingen.
• Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Vaak: Thrombocytopenie Type I
Heparine kan trombocytopenie veroorzaken (milde, voorbijgaande trombopenie, ofwel zeer zelden ernstige en zeer gevaarlijke trombopenie) door een direct effect of door een immuuneffect dat bloedplaatjes-aggregatie veroorzakende antilichamen produceert, zie rubriek 4.4. Omkeerbaar na het stopzetten van de medicatie.
• Immuunsysteemaandoeningen
Zelden: Allergische reacties (erytheem, bronchiaal astma, koorts)
Zeer zelden: Anafylactische reacties (anafylactische shock)
• Bloedvataandoeningen
Vaak: Hemorragie
Hemorragische complicaties, met mogelijke invloed op de organen, kunnen
optreden, vooral wanneer hoge dosissen worden toegediend. Hemorragieën
kunnen voorkomen onder vorm van hematurie en subcutane hematomen op
drukplaatsen. Indien normale doses (heparinetherapie met lage dosis) worden
gebruikt, zijn de risico's echter beperkt. In uitzonderlijke gevallen werden
vaatspasmen beschreven.
• Lever- en galaandoeningen
Vaak: Verhoogde transaminasen, gamma-GT, LDH en lipase.
Meestal omkeerbaar na stopzetten van de medicatie.
• Huid- en onderhuidaandoeningen
Uitslag
Urticaria
Pruritus
Huidnecrose
Verschillende soorten uitslag zoals erythemateuse en maculopapulaire werden gemeld.
Mogelijk subcutane verharding
• Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen
Zeer zelden: priapisme
• Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Vaak: Reacties ter hoogte van de injectieplaats
Plaatselijke irritatie kan voorkomen bij subcutane injectie
Klasse-effecten, aanvaard als zijnde van toepassing voor alle producten van deze groep
• Zelden: Hypoaldosteronisme, geassocieerd met hyperkaliëmie en metabole acidose (vooral bij patiënten met een verminderde nierfunctie en diabetes mellitus) kan optreden bij niet-gefractioneerde heparines.
• Soms: Voorbijgaand haarverlies en osteoporose werden gemeld bij behandeling met niet-gefractioneerde heparines.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
LEO Pharma N.V./S.A.
Duwijckstraat 17
B-2550 Lier
België
Duwijckstraat 17
B-2550 Lier
België
8. NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Heparine LEO 100 I.E./ml, oplossing voor injectie : BE183942
Heparine LEO 5.000 I.E./ml, oplossing voor injectie : BE013587
Heparine LEO 5.000 I.E./ml, oplossing voor injectie : BE013587
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
A. Datum van de laatste herziening van de SKP: februari 2012
B. Datum van de laatste goedkeuring van de SKP: 04/2012
B. Datum van de laatste goedkeuring van de SKP: 04/2012
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1361559 | HEPARINE LEO FL INJ 50X5ML 5000U/ML | B01AB01 | - | € 200,64 | Ja | - | - |
| 1406453 | HEPARINE LEO 100 IE/ML FL 10X10ML | B01AB01 | € 33,67 | - | Ja | - | - |