SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Ocrevus 920 mg oplossing voor injectie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke injectieflacon bevat 920 mg ocrelizumab in 23 ml (40 mg/ml).
Ocrelizumab is een gehumaniseerd monoklonaal antilichaam, dat wordt geproduceerd in Chinese hamsterovariumcellen door middel van DNA-recombinatietechniek.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie.
Heldere tot enigszins doorschijnende en kleurloze tot lichtbruine oplossing.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Ocrevus is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met actieve relapsing multiple sclerose (RMS) die is gedefinieerd door klinische of beeldvormende kenmerken (zie rubriek 5.1).
Ocrevus is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met vroege primair progressieve multiple sclerose (PPMS) gebaseerd op de ziekteduur, mate van invaliditeit en beeldvormende kenmerken die typerend zijn voor ontstekingsactiviteit (zie rubriek 5.1).
4.2 Dosering en wijze van toediening
Behandeling moet gestart en gecontroleerd worden door gespecialiseerde artsen met ervaring in de diagnose en behandeling van neurologische aandoeningen. De eerste toediening moet onder klinisch toezicht gebeuren met gepaste medische ondersteuning om ernstige reacties zoals ernstige injectiereacties, overgevoeligheidsreacties en/of anafylactische reacties te kunnen behandelen (zie rubriek 4.4).
Premedicatie voor injectiegerelateerde reacties
Kort vóór elke injectie met ocrelizumab moeten de volgende twee soorten premedicatie toegediend worden om het risico op lokale en systemische injectiereacties (IR’s) te verminderen:
20 mg orale dexamethason (of een equivalent ervan)
orale antihistaminica (bijv. desloratadine of een equivalent ervan).
Premedicatie met een antipyreticum (bijv. paracetamol) kort vóór elke toediening kan eveneens worden overwogen.
Dosering:
De aanbevolen dosis is elke 6 maanden 920 mg.
De initiële dosis of daaropvolgende doses hoeven niet te worden verdeeld over afzonderlijke toedieningen.
Er moet een periode van minstens 5 maanden aangehouden worden tussen elke dosis van ocrelizumab.
Staken van de injectie of de behandeling in geval van IR’s
Levensbedreigende IR’s
Als er verschijnselen zijn van levensbedreigende IR’s, moet de injectie onmiddellijk worden gestopt en moet de patiënt een passende behandeling krijgen. De behandeling moet bij deze patiënten permanent worden stopgezet (zie rubriek 4.3).
Ernstige IR’s
Als een patiënt een ernstige IR ondervindt, moet de injectie onmiddellijk worden onderbroken en moeten de symptomen van de patiënt worden behandeld. De injectie mag alleen worden voltooid nadat alle symptomen verdwenen zijn (zie rubriek 4.4).
Uitgestelde of gemiste doses
Als een injectie wordt gemist, dan moet deze zo snel mogelijk toegediend worden; wacht niet tot de volgende geplande dosis. Het behandelinterval van 6 maanden (met een minimum van 5 maanden) tussen de doses moet worden aangehouden.
Speciale populaties
Volwassenen ouder dan 55 jaar
Gebaseerd op de beperkte beschikbare gegevens voor de intraveneuze formulering van ocrelizumab (zie rubrieken 5.1 en 5.2) is een aanpassing van de dosis niet nodig voor patiënten ouder dan 55 jaar. Patiënten die aan klinische onderzoeken deelnamen kregen nadat zij ouder dan 55 jaar waren geworden nog steeds elke 6 maanden 600 mg intraveneus ocrelizumab. Het gebruik van de subcutane formulering van ocrelizumab bij patiënten ouder dan 65 jaar werd niet onderzocht.
Verminderde nierfunctie
De veiligheid en werkzaamheid van ocrelizumab bij patiënten met een verminderde nierfunctie werd niet formeel onderzocht. Patiënten met een licht verminderde nierfunctie werden in klinische onderzoeken geïncludeerd. Er is geen ervaring met patiënten met matig tot ernstig verminderde nierfunctie. Ocrelizumab is een monoklonaal antilichaam dat wordt geklaard via katabolisme (d.w.z. afbraak in peptiden en aminozuren). Een dosisaanpassing is naar verwachting niet nodig voor patiënten met een verminderde nierfunctie (zie rubriek 5.2).
Verminderde leverfunctie
De veiligheid en werkzaamheid van ocrelizumab bij patiënten met een verminderde leverfunctie werd niet formeel onderzocht. Patiënten met een licht verminderde leverfunctie werden in klinische onderzoeken geïncludeerd. Er is geen ervaring met patiënten met matig tot ernstig verminderde leverfunctie. Ocrelizumab is een monoklonaal antilichaam dat wordt geklaard via katabolisme (in plaats van levermetabolisme). Een dosisaanpassing is naar verwachting niet nodig voor patiënten met verminderde leverfunctie (zie rubriek 5.2).
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van ocrelizumab bij kinderen en adolescenten van 0 tot 18 jaar zijn nog niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.
Wijze van toediening
Ocrevus 920 mg oplossing voor injectie is niet bedoeld voor intraveneuze toediening en moet altijd als een subcutane injectie worden toegediend door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
Het is van belang om de etikettering op het product te controleren om er zeker van te zijn dat de juiste formulering (intraveneus of subcutaan) aan de patiënt gegeven wordt via de correcte toedieningsweg, zoals voorgeschreven.
Patiënten kunnen de behandeling starten met de intraveneuze of de subcutane formulering van ocrelizumab en patiënten die momenteel intraveneus ocrelizumab krijgen, kunnen de behandeling met intraveneus ocrelizumab voortzetten of overstappen op Ocrevus 920 mg oplossing voor injectie.
De dosis van 920 mg moet worden toegediend als een subcutane injectie in de buik gedurende ongeveer 10 minuten. Het gebruik van een subcutane infuusset (bijvoorbeeld vleugel/vlinder) wordt aanbevolen. Eventueel resterend volume dat achterblijft in de subcutane infuusset mag niet worden toegediend aan de patiënt.
De injectieplaats moet de buik zijn, met uitzondering van het gebied 5 cm rondom de navel. Injecties mogen nooit worden gegeven op plaatsen waar de huid rood, gekneusd, gevoelig of hard is, of op plaatsen met moedervlekken of littekens.
Ocrevus oplossing voor injectie moet altijd worden toegediend door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg. Voor de initiële dosis wordt observatie met toegang tot gepaste medische ondersteuning aanbevolen, gedurende ten minste één uur na de injectie om ernstige reacties zoals IR’s te kunnen behandelen. Voor vervolgdoses wordt de noodzaak van observatie na de injectie bepaald door de behandelend arts (zie rubriek 4.4).
Voor instructies over gebruik en hantering van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Patiënten die actieve infecties hebben (zie rubriek 4.4).
Patiënten die ernstig immuungecompromitteerd zijn (rubriek 4.4).
Patiënten met bekende actieve maligniteiten (zie rubriek 4.4).
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
In de gecontroleerde periode van de klinische registratie-onderzoeken waren de belangrijkste en vaak gemelde bijwerkingen IRR’s (respectievelijk 34,3% en 40,1% in RMS en PPMS) en infecties (respectievelijk 58,5% en 72,2% in RMS en PPMS) (zie rubriek 4.4).
In totaal werden 2.376 patiënten geïncludeerd in de gecontroleerde periode van de klinische registratie-onderzoeken; 1.852 van deze patiënten gingen de OLE-fase in. Alle patiënten stapten over op behandeling met ocrelizumab tijdens de OLE-fase. De OLE-fase werd door 1.155 patiënten voltooid, wat resulteerde in een continue behandeling met ocrelizumab van ongeveer 10 jaar (blootstelling van 15.515 patiëntjaren) tijdens de gecontroleerde periode en de OLE-fase. Het totale veiligheidsprofiel dat tijdens de gecontroleerde periode en de OLE-fase werd waargenomen, blijft consistent met het veiligheidsprofiel dat werd waargenomen tijdens de gecontroleerde periode.
In een aanvullend placebogecontroleerd klinisch fase IIIb-onderzoek (onderzoek WA40404) bij 1.012 patiënten met PPMS die ofwel ten minste één dosis Ocrevus (n = 506) ofwel placebo (n = 506) kregen, werden de bijwerkingen COVID-19 en COVID-19-pneumonie geïdentificeerd (zie rubriek 4.8, COVID-19 en COVID-19-pneumonie).
Het veiligheidsprofiel van Ocrevus oplossing voor injectie kwam overeen met het bekende veiligheidsprofiel van de intraveneuze formulering van ocrelizumab hieronder in tabel 1 met uitzondering van de zeer vaak voorkomende bijwerking van IR’s.
Lijst van bijwerkingen in tabelvorm
Bijwerkingen die gemeld zijn in klinische onderzoeken met de intraveneuze formulering van ocrelizumab en bijwerkingen van spontane meldingen zijn opgesomd in tabel 1. De frequenties van de bijwerkingen zijn gebaseerd op de gecontroleerde periode van de klinische registratie-onderzoeken bij RMS en PPMS en de gecontroleerde periode van onderzoek WA40404 bij PPMS. De bijwerkingen zijn weergegeven per systeem/orgaanklasse en frequentiecategorie volgens MedDRA. Frequenties worden gedefinieerd als zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10), soms (≥ 1/1.000, < 1/100), zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000) en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Binnen elke systeem/orgaanklasse zijn de bijwerkingen vermeld op volgorde van afnemende frequentie.
Tabel 1 Bijwerkingen
| Zeer vaak | Vaak | Niet bekend2 |
Infecties en parasitaire aandoeningen | Infectie van de bovenste luchtwegen, COVID-19, nasofaryngitis, griep | Sinusitis, bronchitis, orale herpes, gastro-enteritis, luchtweginfectie, COVID-19-pneumonie, virale infectie, herpes zoster, conjunctivitis, cellulitis |
|
Bloed- en lymfestelselaandoeningen |
| Neutropenie | Laat optredende neutropenie3 |
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen |
| Hoesten, catarre |
|
Onderzoeken | Verlaagd immunoglobuline M in het bloed | Verlaagd immunoglobuline G in het bloed |
|
Letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties | Infusiegerelateerde reacties1, injectiereacties2,3 |
|
|
1 Alleen waargenomen in de gepoolde gegevens van de intraveneuze formulering van ocrelizumab.
2 Waargenomen in een onderzoek buiten de gepoolde gegevens van de intraveneuze formulering van ocrelizumab (geassocieerd met subcutane toediening).
3 Waargenomen na het op de markt brengen.
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Injectiereacties
Op basis van de waargenomen symptomen worden IR’s ingedeeld in systemische en lokale IR’s.
In OCARINA II kregen 118 patiënten (die nog niet eerder met ocrelizumab waren behandeld) de eerste injectie van het product. De meest voorkomende symptomen die werden gemeld bij systemische IR’s en lokale IR’s waren: hoofdpijn (2,5%), misselijkheid (1,7%), erytheem op de injectieplaats (29,7%), pijn op de injectieplaats (14,4%), zwelling op de injectieplaats (8,5%) en pruritus op de injectieplaats (6,8%). IR’s traden op bij 48,3% van deze patiënten na de eerste injectie. Van de 118 patiënten kregen 11,0% en 45,8% van de patiënten respectievelijk ten minste één voorval van systemische IR en lokale IR. Bij de patiënten met IR traden bij de meerderheid van de patiënten (82,5%) IR’s op binnen 24 uur na het voltooien van de injectie, in tegenstelling tot tijdens de injectie. Alle IR’s waren niet ernstig en van lichte (71,9%) of matige (28,1%) ernst. De mediane duur van de IR was 3 dagen voor systemische IR’s en 4 dagen voor lokale IR’s. Alle patiënten herstelden van IR’s, waarvan 26,3% symptomatische behandeling vereiste.
In OCARINA I kregen 125 patiënten een of meer injecties met de subcutane formulering van ocrelizumab 1.200 mg. Bij de 125 patiënten die de eerste injectie kregen, ondervond 16,0% van de patiënten ten minste één voorval van systemische IR en ondervond 64,0% van de patiënten ten minste één voorval van lokale IR. Bij de 104 patiënten die de tweede injectie kregen, nam de incidentie van systemische IR en lokale IR af tot respectievelijk 7,7% en 37,5%. Alle IR’s waren niet ernstig en op één na waren alle IR’s licht of matig van ernst bij de eerste injectie. Voor de tweede injectie waren alle IR’s niet ernstig en van lichte of matige ernst. Van de patiënten die een IR ondervonden na de eerste en de tweede injectie had respectievelijk 21,2% en 17,9% een symptomatische behandeling nodig.
De intraveneuze formulering van ocrelizumab wordt geassocieerd met infusiegerelateerde reacties (IRR’s), wat ook te maken kan hebben met het vrijkomen van cytokines en/of andere chemische mediatoren. IRR’s kunnen zich voordoen in de vorm van pruritus, huiduitslag, urticaria, erytheem, geïrriteerde keel, orofaryngeale pijn, dyspneu, faryngeaal of laryngeaal oedeem, blozen, hypotensie, pyrexie, vermoeidheid, hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, tachycardie en anafylaxie. Ernstige IRR’s, waarvoor in sommige gevallen ziekenhuisopname nodig was, werden gemeld bij gebruik van de intraveneuze formulering van ocrelizumab.
Infectie
In de actief gecontroleerde onderzoeken bij RMS-patiënten traden infecties op bij 58,5% van de patiënten die de intraveneuze formulering van ocrelizumab kregen versus 52,5% van de patiënten die interferon bèta-1a kregen. Ernstige infecties traden op bij 1,3% van de patiënten die de intraveneuze formulering van ocrelizumab kregen versus 2,9% van de patiënten die interferon bèta-1a kregen. In het placebogecontroleerde registratie-onderzoek bij PPMS-patiënten traden infecties op bij 72,2% van de patiënten die intraveneus ocrelizumab kregen versus 69,9% van de patiënten die placebo kregen. Ernstige infecties traden op bij 6,2% van de patiënten die intraveneus ocrelizumab kregen versus 6,7% van de patiënten die placebo kregen.
Alle patiënten stapten over op intraveneus ocrelizumab gedurende de OLE-fase van de RMS- en PPMS-registratie-onderzoeken met intraveneus ocrelizumab. Tijdens de OLE-fase nam het algehele risico op ernstige infecties bij RMS- en PPMS-patiënten in de registratie-onderzoeken niet toe ten opzichte van wat werd waargenomen tijdens de gecontroleerde periode. Zoals waargenomen tijdens de gecontroleerde periode, bleef de incidentie van ernstige infecties bij PPMS-patiënten hoger dan werd waargenomen bij RMS-patiënten.
In lijn met de eerdere analyse van risicofactoren voor ernstige infecties bij andere auto-immuunaandoeningen dan MS (zie rubriek 4.4), werd een multivariate analyse van risicofactoren voor ernstige infecties uitgevoerd in de ongeveer 10 jaar van cumulatieve blootstellingsgegevens uit de gecontroleerde periode en OLE-fase van de klinische registratie-onderzoeken. Risicofactoren voor ernstige infecties bij RMS‑patiënten zijn ten minste 1 comorbiditeit, recent klinisch recidief en Expanded Disability Status Scale (EDSS) ≥ 6,0. Risicofactoren voor ernstige infecties bij PPMS‑patiënten zijn onder andere een body mass index hoger dan 25 kg/m2, het hebben van ten minste 2 comorbiditeiten, Expanded Disability Status Scale (EDSS) ≥ 6,0 en IgM < lower limit of normal (LLN). Comorbiditeiten waren onder andere, maar niet uitsluitend, cardiovasculaire aandoeningen, nier- en urinewegaandoeningen, eerdere infecties en depressie.
Luchtweginfecties
Het percentage luchtweginfecties was hoger bij patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld in vergelijking met interferon bèta-1a en placebo.
In de klinische onderzoeken bij RMS-patiënten ondervond 39,9% van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld en 33,2% van de patiënten die met interferon bèta-1a werden behandeld een infectie van de bovenste luchtwegen en 7,5% van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld en 5,2% van de patiënten die met interferon bèta-1a werden behandeld ondervond een infectie van de onderste luchtwegen.
In het klinisch registratie-onderzoek bij PPMS-patiënten ondervond 48,8% van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld en 42,7% van de patiënten die placebo kregen een infectie van de bovenste luchtwegen, en 9,9% van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld en 9,2% van de patiënten die placebo kregen ondervond een infectie van de onderste luchtwegen.
De luchtweginfecties die werden gemeld bij patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld waren voornamelijk licht tot matig (80 - 90%).
COVID-19 en COVID-19-pneumonie
In een placebogecontroleerd fase IIIb-onderzoek bij patiënten met PPMS (onderzoek WA40404) werd COVID-19 vaker waargenomen bij patiënten die ocrelizumab kregen toegediend dan bij patiënten die placebo kregen toegediend. COVID-19 werd waargenomen bij 16,0% van de patiënten die ocrelizumab kregen en bij 11,3% van de patiënten die placebo kregen. Bij patiënten die behandeld werden met ocrelizumab was COVID-19 overwegend mild tot matig van ernst (14,2%).
COVID-19-pneumonie werd vaker waargenomen bij patiënten die behandeld werden met ocrelizumab dan bij patiënten die behandeld werden met placebo. COVID-19-pneumonie werd bij 3,2% van de patiënten die ocrelizumab kregen waargenomen en bij 1,8% van de patiënten die placebo kregen. COVID-19-pneumonie werd overwegend waargenomen als ernstige infectie, die voorkwam bij 2,6% van de patiënten die met ocrelizumab werden behandeld en 1,6% bij patiënten die placebo kregen. Soms traden fatale voorvallen als gevolg van COVID-19-pneumonie op. Deze kwamen voor bij 0,8% van de patiënten die ocrelizumab kregen en 0,2% van de patiënten die placebo kregen. Er was een verband met bekende risicofactoren in beide armen.
Herpes
In actief gecontroleerde klinische (RMS-) onderzoeken, werden herpesinfecties vaker gemeld bij patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld dan bij patiënten die met interferon bèta-1a werden behandeld, bijvoorbeeld herpes zoster (2,1% versus 1,0%), herpes simplex (0,7% versus 0,1%), orale herpes (3,0% versus 2,2%), genitale herpes (0,1% versus 0%) en herpesvirusinfectie (0,1% versus 0%). Alle Infecties waren licht tot matig in ernst, uitgezonderd van een geval met graad 3, en patiënten herstelden onder behandeling met standaardbehandelingen.
In het placebogecontroleerde klinische (PPMS-) registratie-onderzoek werd een hoger percentage patiënten met orale herpes (2,7% versus 0,8%) waargenomen in de behandelarm die met intraveneus ocrelizumab werd behandeld.
Afwijkende laboratoriumwaarden
Immunoglobulines
Behandeling met ocrelizumab leidde tot een daling in totaal immunoglobulines gedurende de gecontroleerde periodes van de klinische registratie-onderzoeken met intraveneus ocrelizumab, voornamelijk gedreven door een daling in IgM.
Gegevens uit de gecontroleerde periode en de OLE-fase van de klinische registratie-onderzoeken hebben een verband aangetoond tussen verlaagde IgG-spiegels (en in mindere mate voor IgM of IgA) en een verhoogde incidentie van ernstige infecties. Van de RMS-patiënten had 2,1% een ernstige infectie gedurende een periode met IgG < LLN, en had 2,3% van de PPMS-patiënten een ernstige infectie gedurende een periode met IgG < LLN. Het verschil in incidentie van ernstige infecties tussen patiënten met IgG < LLN en patiënten met IgG ≥ LLN nam in de loop van de tijd niet toe. Het type, de ernst, de latentie, de duur en de uitkomst van ernstige infecties die werden waargenomen tijdens episoden van immunoglobulinen onder LLN, kwamen overeen met de totale ernstige infecties die werden waargenomen bij patiënten die met ocrelizumab werden behandeld gedurende de gecontroleerde periode en de OLE-fase. Gedurende de 10 jaar van continue behandeling met ocrelizumab bleven de gemiddelde IgG-spiegels bij RMS- en PPMS-patiënten boven de LLN.
Lymfocyten
Bij RMS werd een daling in de lymfocytenwaarden < LLN waargenomen bij 20,7% van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld, in vergelijking met 32,6% van de patiënten die met interferon bèta-1a werden behandeld. In het klinische PPMS registratie-onderzoek werd een daling van lymfocytenwaarden < LLN waargenomen bij 26,3% van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld, in vergelijking met 11,7% van de patiënten die placebo kregen.
De meerderheid van de dalingen die bij patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld waren gemeld hadden een ernst van graad 1 (< LLN tot 800 cellen/mm3) en graad 2 (tussen 500 en 800 cellen/mm3). Ongeveer 1% van de patiënten in de groep die intraveneus ocrelizumab kreeg, had lymfopenie van graad 3 (tussen 200 en 500 cellen/mm3). Geen van de patiënten had lymfopenie van graad 4 (< 200 cellen/mm3).
Een verhoogde incidentie van ernstige infecties werd waargenomen tijdens episoden van bevestigde verlaagde lymfocytenwaarden bij patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld in de registratie-onderzoeken. Het aantal ernstige infecties was te laag om definitieve conclusies te trekken.
Neutrofielen
In de actief gecontroleerde (RMS-) behandelperiode werd een daling in de neutrofielenwaarden < LLN waargenomen bij 14,7% van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld in vergelijking met 40,9% van de patiënten die met interferon bèta-1a werden behandeld. In het placebogecontroleerde klinische (PPMS) registratie-onderzoek was het percentage patiënten dat een daling in de neutrofielenwaarden vertoonde hoger (12,9%) bij patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld dan bij patiënten die placebo kregen (10,0%). Van deze patiënten had een hoger percentage (4,3%) van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werden behandeld een neutropenie van graad 2 of hoger ten opzichte van 1,3% in de groep die placebo kreeg. Ongeveer 1% van de patiënten die met intraveneus ocrelizumab werd behandeld had een graad 4 neutropenie versus 0% in de groep die placebo kreeg.
De meerderheid van de dalingen in neutrofielen waren tijdelijk (slechts één keer waargenomen bij één bepaalde patiënt die met ocrelizumab werd behandeld) en hadden een ernst van graad 1 (tussen <LNN en < 1.500 cellen/mm3) en graad 2 (tussen 1.000 en 1.500 cellen/mm3). Over het geheel had ongeveer 1% van de patiënten in de groep die met intraveneus ocrelizumab werd behandeld graad 3 of 4 neutropenie. Eén patiënt met neutropenie van graad 3 (tussen 500 en 1.000 cellen/mm3) en één patiënt met neutropenie van graad 4 (< 500 cellen/mm3) hadden een specifieke behandeling nodig met granulocyten-kolonie-stimulerende factor (G-CSF) en bleven onder behandeling met ocrelizumab na de episode. Neutropenie kan zich enkele maanden na toediening van ocrelizumab voordoen (zie rubriek 4.4).
Overig
Eén patiënt die 2.000 mg intraveneus ocrelizumab had gekregen overleed na een MRI-onderzoek, 12 weken na de laatste infusie, aan systemisch inflammatoir responssyndroom (SIRS) met een onbekende oorzaak. Een anafylactische reactie op de MRI-gadoliniumcontrastvloeistof zou bijgedragen kunnen hebben aan het SIRS.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden (zie hieronder voor details).
België
Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
www.fagg.be
Afdeling Vigilantie:
Website: www.eenbijwerkingmelden.be
e-mail: adr@fagg-afmps.be
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Roche Registration GmbH
Emil-Barell-Strasse 1
79639 Grenzach-Wyhlen
Duitsland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/17/1231/003
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
2 juli 2026
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.
PRIJZEN
| CNK code | Verpakking | ATC5 code | Prijs | Af-fabriek prijs | Voorschriftplichtig | Remgeld reguliere tegemoetkoming | Remgeld verhoogde tegemoetkoming |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 4841805 | OCREVUS 920MG OPL INF 40MG/ML FL 23ML | - | € 8941,7 | Ja | - | - |

